De bel gaat

Er zijn mensen, roept ze, rent richting deur. Ze draait zich na twee stappen alweer om: mama, mij optillen.  Ik zie door het raam de deur van buurman openstaan.

Buurman staat voor de deur, leunt met één voet op onze drempel en met een hand tegen de muur, hij reikt mij een donkerblauw boekje aan. Dit is jouw boek, zegt hij. – Nee, hoor, zeg ik, dat is het niet. – Toch wel, zegt hij. – Nee, zeg ik, maar kom even binnen, het is koud. Dat wil hij niet. Het gaat trouwens niet goed, zegt hij. – Kom dan toch binnen, vraag ik weer. – Neen, zegt hij, draait zich om richting overkant van de straat en zegt: Nu ga ik weer, mijn deur is open. Ik vraag nog of hij echt denkt dat ik hem dat boekje heb geleend. Neen, maar het is jouw boekje, lees het, je zult het merken, het is jou.

Ik leg het boekje bovenop enkele andere. Bovenop De troost van de filosofie en Gedichten voor de kleine reus. 
Buurman is erg lief, zeg ik tegen de kleine op mijn arm.
Hij is ziek, zegt zij.
Ja?!, vraag ik.
Ja.

Ik ruik dat de risotto in de keuken bouillon nodig heeft. Ik giet en zie de korrels onder water gaan. Achter me gaat zij ook bezig. Ze trekt de dop van een stift, leunt met een arm op haar tafeltje, en vult een poes in een boek.

Gaan wij ook eens een cadeau geven aan buurman?, vraag ik.
Ja, zegt ze, het hoofd schuin over haar werk gebogen, de dikke blauwe stift gaat heen en weer tussen zwarte lijnen.
Wil jij dan iets voor hem kleuren?
Ja. En ik ga niet dankjewel zeggen.
Nee?
Nee. Ga jij dat zeggen, mama?
Ja, lieverd, ik zal dankjewel zeggen.
En ook alsjeblieft?
Ja, lieverd, en ook alsjeblieft.

(wordt vervolgd)

Nu moet het gebeuren

Die mooie paarse bollen op die lange stelen, hoe heten die, vraag ik.

Dat is alium, zegt plantman en ik herhaal zijn antwoord.

Wanneer plant je die, vraag ik?

Nu!

Nu?

Ja! De mensen maken in de lente huizen schoon en dan daarna ook hun tuin. Da’s verkeerd. Dan zien ze hun tuin als een verlengde van hun huis. Da’s verkeerd. Nu moet het gebeuren, nu, in de herfst.

Ik zit te luisteren, kijk naar plantman en naar een volle kop gloeiende thee en zie mezelf op handen en knieën tussen de aarde en het gewas zitten. Met drift trek ik overbodig en woekerend kruid uit de grond, hardnekkige doorwreters en koppigaards, wortels van venijn, weg. Plaats voor ander leven, schoon leven. Dat leven zit nu nog samengebald in ruwe knolletjes in bruine papieren zakken met daarop een foto van wat het allemaal kan worden. Ik wil naar huis, thee moet afkoelen. Ik wil naar huis en eraan beginnen. Ik wil aarde ruiken, pijnlijke knieën krijgen, vuile vingers van toewijding. Ik wil eraan beginnen.

Terwijl ik me met slapende baby en verbrande tong door de straten haast en hoi links en rechts en hand in de lucht en doorgaan, zie ik aan een razend tempo en in flitsen ineens ook al mijn kasten, met openzwaaiende deuren, vrij zicht op slordig gestapelde noodzakelijkheden en verzamelde niet-noodzakelijkheden. In kruipruimtes: dozen vol kleding voor elk seizoen, veel te veel voor driehonderdvijfenzestig dagen gedeeld door vier. En alle boeken die ik verzamelde, kocht, las en niet las, persé wilde omdat ze toen hoorden bij dát seizoen van mijn leven.

Ik snel nu naar een opgeruimde tuin en toekomst, helder licht valt op soepele kluiten en binnen in kamers vol essentie-echtheid-waarheid. Het hoofd en de handen, ineens bevrijd van ballast en bagage, klaar voor ontvangen. De wielen van de kinderwagen hobbelen over bolsters die openspringen en hun kastanjes over de keien laten kletsen. Het hakje van mijn schoen wiebelt, wankelt bovenop een wilde of een tamme. Mijn enkel schudt, knie slaat bruut naar de andere toe, ik leun naar voren, rem mezelf tegen het handvat van de wagen. In een ruit met witte gordijnen zie ik mijn overdreven zelf en vraag me af wie haar ook heeft gezien. Die zal wel denken: Zie dat mens en ze viel nog bijna ook.

Door de volgende ruit zie ik hoe een vrouw aan een ovalen tafel papieren sorteert, man en zoon op de bank televisie kijken. Mijn kind slaapt door. Ik duw haar zachtjes ons huis binnen, rijd haar door de keuken naar buiten, zet haar beschut neer. Ik open onder het afdak een deur, haal de papieren zakken tevoorschijn. Lees de datum bij de knollen, ze zouden eigenlijk al twee jaar geleden moeten zijn gebarsten. Ik zucht. Zou ik dat nog wagen? Moeite doen voor wat misschien in de kiem al is gebroken? Ik scheur de zakken open, ga zitten op knieën, ruk met handen in handschoenen nazaten van een enerverende wemelaar uit, gooi de kluiten achter me op een hoop, woel aarde om, maak holletjes voor de bolletjes, leg ze er met plots trillende vingers in, voel een geforceerde spier in mijn nek. Ik maak de kuiltjes dicht, vul een gieter bij de regenton, giet staand, traag en met beheerst ge-adem water over wat ik heb geplant. We zullen het zien, zeg ik fluisterend, terwijl ik de keuken binnenstap. Met de handschoenen nog aan open ik de vaatwasser. Écht! – zeg ik tegen mijzelf, doé – niét – zó! Terug buiten leg ik de handschoenen op tafel en hoor ik geluiden van wakker worden uit de wagen. Nu stopt alles, vult alles zich met haar in vertraging, verzadiging. Ik draag haar naar binnen, sluit deuren, de rug naar de tuin, de vaat en het prangen van de dingen. Ik leg haar tussen mijn benen op een kleed, maak vuur aan, buig voorover, streel haar neus met mijn neus, ga dan naast haar liggen, op een zij, met opgetrokken knieën, leun met mijn hoofd op een arm, andere arm zacht over haar lijfje, ik kijk over haar haartjes naar de kachel, land en lach in de vlammen omdat zij alles uit mijn handen laat vallen.

Een bedscène

Ik krijg hoofdpijn, probeer die te laten varen met enkele ademhalingen uit de buik, dat helpt niet, ik ga naar boven, twee handen, elk een leuning, sandalen uit, ik ga liggen op mijn rug op het bed, bedenk nog snel dat ik stof van de dag van mijn voeten zou willen wassen. Maar dat nu aan je vragen … zou jij mijn voeten willen wassen, gewoon, met dat groene badje, een beetje water, dat stuk zeep met lavendel en daar ligt een klein handdoekje, ik zou toch zo graag willen, dat je dat doet … ik vraag het niet.

Ik zie ons witte plafond in kleur, in draaien en kolken. Ik trek met gesloten mond mijn buik in om te kunnen boeren, de laatste lucht uit mijn maag te halen, een trilling te voelen waar slokdarm mondholte wordt.

Ik zou willen overgeven, zeg ik.

Wat kan ik doen, vraag je.

Misschien een emmer halen voor het geval dat en ook dat flesje uit de frigo – au de carme – er zit nog een halve centimeter in. Een halve centimeter composition de quatorze plantes fraîches et neuf épices – zijnde melisse, marjolein, angélique, sleutelbloem of let op: coucou, rozemarijn, salie, lavendel, armoise, sariette, kamille, citroenschil, tuinkers, meiklok, tijm, koriander, kaneel, muskaatnoot, clous de girofle oftewel kruidnagel, groene Spaanse anijs, venkelzaad, racine d’angélique, racine de gentiane, santal citrin.

Ik lig te wachten – je blijft lang weg – hoe lang kan het duren – twee dingen halen? Je komt met een glas water met daarin het allerlaatste uit de fles, ik ga half rechtop zitten, leun ingezakt tegen het hoofdeinde, krijg het glas, sper neusgaten open bij de scherpe geur; drink twee slokken, spuw het water in de emmer, kots daarna nog meer water en ook de groentetaart met feta en courgette uit de tuin. Dat is zonde, maar ik voel me beter en ik voel me moe. Ik draai me op mijn linkerzij, druk het kussen tussen schouder en kin.

Je blijft naast me zitten, rechtop op jouw helft van het bed. Ik sluit mijn ogen, wil liever dat je naar beneden gaat, maar zeg dat niet. Je wrijft over mijn rug en gaat heel zacht zingen. Dit meen je niet, denk ik. Mijn handen leg ik slap naast me op de matras. Ik zie zwarte bollen met een rode kring eromheen tegen de wand van mijn oogleden, ik voel wang en slaap zakken in het kussen en kin die met een knikje volgt. Ik hoor je niet meer zingen. Ik hoor de adem binnen in mijn neus, en mijn hart in mijn oren.

’s Ochtends word ik wakker met een hand onder je lijf. Het eerste waaraan ik denk is dat je zong en dat ik niet weet wat en hoe lang. Ik kijk naar ruggenwervels in wit katoen, trek mijn vingers van onder je terug, plooi ze, laat ze kraken, leg ze op mijn voorhoofd, voel de warmte van jij die een nacht op een deel van mij hebt gelegen.

Voel je je beter, vraag je.

Ja, – ik heb geen last meer van gisteren.

En van jezelf, vraag je.

Al veel minder.Weet je nog wat je hebt gezongen, vraag ik, gisteravond?

Nee, zeg je.

Jammer.

Ja, jammer.