Een lijstje

Wij zijn onderweg naar een huisje aan zee. Rond een uur of twee rijden we de straat uit. De man had een uur of negen in gedachten gehad, maar dat bleek al gauw veel te optimistisch gerekend. Zijn timing deed ook helemaal geen recht aan wie ik ben en de tijd die ik nodig heb om zelfs zonder dralen de handelingen uit te voeren die simpelweg uitgevoerd moeten worden. Ik had de avond voordien al de slogan ingebracht: ik zal doen wat ik kan, niet wat jij kan. De slogan werd met stilte onthaald en is inmiddels al meermaals door mij gebruikt. En ik moet zeggen, ik voel me er prima bij.

Wij logeren dus enkele dagen in een huisje aan zee. In de dagen voor ons vertrek noemden we zo nu en dan iets wat we zeker niet mochten vergeten. Bouillonblokjes. Een gezelschapsspel. Laarzen. Inderdaad, zeiden we dan. Of: ja, daar had ik ook al aan gedacht.

Wat is het verschil tussen een koolmees en een pimpelmees, vraag ik in de auto. Het borstje, zegt de man, of het halsje. De verkleinwoorden leiden af. Waarom zeg je borstje, vraag ik. Omdat een mees toch een klein borstje heeft, zegt de man. Ik kijk door het raam, tel in een weiland twaalf wilgen op een rij.

Even later zeg ik: We zijn de strandspullen vergeten. De man zucht. Hoe is dat nu mogelijk?, vraagt hij. En de vlieger ook, zeg ik. Maar dat is toch niet normaal, zegt hij. Ik meen een punt te kunnen scoren in een ongezellige wedstrijd die ik voel ontstaan, door te zeggen dat ik in de loop van de week wel aan de vlieger heb gedácht. En ook aan de olijfolie, want die zijn we ook vergeten, schiet me net te binnen.

Halverwege de rit pauzeren we. We lopen wat rond op een parking en strekken onze armen en benen op een graspleintje. De kleinste rent heen en weer, plukt een madeliefje. Ik loop tussen de geparkeerde auto’s, zie in een auto een man achter het stuur zitten. Op de passagiersstoel staan kartonnen bakjes met frieten en kleine hapjes. Over de beide handen van de man zit een plastic zakje. Met in zijn ene hand een friet en in zijn andere hand een bakje mayonaise kijkt hij me aan.

Wanneer we weer in de auto zitten, schiet me te binnen dat we geen speelgoed mee hebben voor de kleinste, maar dan ook écht niéts. Behalve een knuffelaap en twee kleine boekjes. Ik begin te lachen, bedenk hoe we vrolijk kunnen doen met dat aapje en die twee boekjes. Kijk, schatje, hier is aapje, leuk aapje, hé, ga maar lekker spelen met aapje. Aapje. Aapje. Oh, kijk nu, aapje leest een boekje en nog een boekje. En dan is het gedaan, jammer, hé, jammer, hé, van aapje? We moeten nog meer dan twee uur rijden. Nederland is toch wel een lang land, zeg ik. En ik zie in gedachten een kaartje, met daarop Nederland en België en de Waddenzee en de Noordzee. In rode stippellijnen zie ik in vogelvlucht de afstand tussen ons huis en de plekken in Zeeland en Vlaanderen waar onze ouders wonen. Is dat eigenlijk wel slim, vraag ik, dat we zo ver zitten van alles en iedereen?

De man realiseert zich plots dat hij zijn viool is vergeten. Hij is er niet goed van. We zouden zijn ouders bezoeken en hij zou voor zijn moeder viool spelen. Zij zou dan zitten, met de handen in haar schoot, voor zich uit staren, zich wat herinneren en zachtjes zingen. Dat is niet fijn, zeg ik, en ik leg mijn hand op de schouder van de man.

We parkeren voor het huisje, halen de kofferbak leeg, trekken alle deuren open, kijken wat er wel en niet is. We schuiven de gordijnen opzij. Er is een tuin met een grote tafel, een bank, een kacheltje en een poortje dat je zo de duinen in trekt. Het is al laat en buiten is het koud. We zijn het koffiekannetje vergeten, zeg ik. Dat meen je niet, zegt de man. Als ik even later mijn pyjama aantrek, schiet me plots te binnen dat ik mijn elektrische tandenborstel met lege batterij in mijn tas heb gestopt, maar de oplader niet. Ik ga het meteen melden aan de man. Voor de volledigheid voeg ik eraan toe dat we ook de douchegel en shampoo zijn vergeten. De man reageert niet. Als ik zeg dat we ook de sojasaus thuis hebben laten staan, gaat hij naar de wc en daarna gaan we naar bed.

Ik lees nog wat, in een vogelgidsje dat ik in het huisje vond. Er staan zes soorten mezen in, waarvan de eerste twee in het rijtje de pimpelmees en de koolmees zijn. De koolmees heeft een olijfgroene rug en zwarte kop met witte wangen, staat er. En over de pimpelmees: blauw met geel geleurde mees. Zo staat het er echt: blauw met geel geleurde mees. Die mees is geel geleurd. Hij heeft zo geleurd dat hij er geel van ziet, helemaal geel geleurd, heeft hij zich. Zoals dat iemand zich blauw heeft geërgerd, heeft de pimpelmees zich geel geleurd. En terwijl de man de slaapkamer binnenkomt, veranker ik deze nieuw opgedane kennis: het blauwe kopje is van de pimpelmees. Ik leg het vogelgidsje aan de kant.

De volgende ochtend krijgen we bericht van de buren thuis. We zijn blijkbaar vergeten het kattenluik open te draaien, de kat heeft twee keer kaka op de keukenvloer gedaan. Het is opgeruimd, maar het stinkt nog wel een beetje, staat er in het berichtje van de buurman.

Naar een gedicht #1

De ochtend vraagt om adem en daden. En terwijl het huis nog slaapt, sluip ik naar buiten. Het is stil en koud en vol mogelijkheden. Weer in huis, scheur ik gisteren af en lees ik op de dag van vandaag het gedicht Naar alle vroegte van Frans Kuipers.

Frans Kuipers geprint op de kalender van Plint op 31 maart 2021

En dáárna ga ik zitten, kraak mijn ontbijt naar binnen en schrijf snel – voor alles ontwaakt en gaat beginnen – mijn eigen kalenderblaadje vol. Hier volgen de dichtregels die ik hanteerde:

1. Eerste strofe van het gedicht van Frans Kuipers overnemen.

2. Iets schrijven over de lucht.

3. Iets schrijven over schoeisel.

4. Ik en mijn vermijden

Evelien Borgonjon geprint op grootmoeders bordje met matze en pindakaas

En bij de G van richting hoorde ik een stemmetje roepen dat de dag begonnen is. De tijd die volgde vulde zich met onze regels; gezichten wassen, haren kammen en tanden poetsen, zeggen wat je eten wil, af en toe eens kijken op de klok en delen hoe laat het is.

Het zou nu zomaar kunnen gebeuren dat je denkt ook eens een gedicht te willen schrijven. Dan zou je in alle vroegte naar buiten kunnen gaan en zien wat er komt. Of je kunt bij valavond achterover hangen en zien wat er nog komt.

Heb je wat geschreven naar aanleiding van deze post, dan lees ik dat heel graag. Deel je gedicht gerust onder dit bericht of stuur me een mailtje.

De prinses en haar mama

Kijk, zeg ik, een walvis.

Nee, zegt zij, een hondensnoet.

We houden de sneetjes brood voor elkaars gezicht, draaien onze hoofden om de walvis en de hondensnoet te zien.

De man is voor dag en dauw naar het werk vertrokken. Hij stuurde me nog een bericht vanuit de auto over voorzichtige zon en wakker wordende velden.

Het kind huilde toen ze ontdekte dat de man naar het werk was. Er volgde een scène met kleren die néé en aan en uit werden getrokken. Haar kamer is de kleerkast van een prinses die weet wat ze niet wil. En nu gaan we ontbijten.

En daarna gaan we wandelen. Kijk, zeg ik, iemand snoeit takken in bomen met een snoeischaar op een lange stok.

Hoe dan, vraagt ze, en, mam, til me.

We lopen langs een huis met wel tien zaadbollen voor de vogels in één boom. De bollen wiegen in de wind. En de zaden in de netjes zijn gaan kiemen. Waarom staan déze bollen in bloei en die in onze tuin niet, vraagt het kind en we bedenken samen allerlei redenen. Deze bollen zijn misschien oud? De zon heeft er heel hard op geschenen? Iemand heeft ze water gegeven? En, vraagt ze, eten de vogels ervan als ze bloeien? Dat denk ik niet, zeg ik. Wat verder kijken we naar hoe kauwtjes graan wegpikken van tussen het gras. Twee mannen staan óp de molen in de museumtuin, ze tikken met hun vuisten tegen de wieken. Wat doen ze, vraagt het kind en ik verzin wat bij mekaar over kapotte wieken en houten plankjes en een systeempje dat werkt op wind.

Voila. Een zaadbol in bloei.

We gaan richting bakker. Mag ik alleen, vraagt het kind. Ja. En dan zeg ik wat we nodig hebben. Moet het in stukken of niet? Ja, gesneden. Ik wacht op de stoep, samen met de baby. Ik zie het kind klimmen op het randje bij de toonbank, handjes zetten tegen het glas, ik hoor haar heldere stemmetje: ons-shabbatbrood-en-een-desembrood-gesneden. En ze hangt boven de broodsnijmachine wanneer de bakkersvrouw er een hard bolletje in legt en op de groene knop drukt: hé kijk, het broodje danst. Ze praat ook met de bakker die er bij is komen staan. Ik hoor niet wat ze zeggen. Dit kan zij prima alleen, zegt de bakkersvrouw bij de deur en ze vertelt over haar zoon die alleen naar de slager ging, maar op een dag, met het zakje vlees in zijn handen, besloot met een vriendje te gaan voetballen. Moet je niet weer doen, heeft ze hem toen gezegd.

Gaan we nog naar een speeltuin, vraagt het kind. Ik zeg dat dat heel even kan, naar die in het tuintje bij het museumcafé. Ze buitelt over de rekstok: Kijk!

Ik zit op een trapje in de zon, schil een appel, deel stukjes uit aan de baby en het kind, snij wat dunne plakjes af voor mezelf. Ik kondig aan dat we gaan vertrekken. Néé! Ik wil eerst nog vier dingen tonen! En ze stapt naar haar podium; de rekstok. Ik ga er bij staan. Ze draait voorwaarts. Dat is één. Ze gooit een been over de stok, klautert er vervolgens over. Dat is twee. Ze draait voorwaarts, blijft hangen met handen op de grond. Dat is drie. Ze werkt zichzelf de stok op tot zitstand. Dat is vier. Oké, zeg ik, we gaan. Dan staat ze stil: Nee, nog één! En ik zie het gewoon aan haar dat er geen vijf in haar repertoire zit. Ze kijkt me aan en ik zie ze ondertussen wat verzinnen. Ze grijpt de stok met een hand vast. Ze kijkt. Ik kijk. Ze gooit een been naar achteren in de lucht, dat is het. We kijken elkaar aan. Mijn buik begint te lachen. En zij heeft het in de gaten dat ik het in de gaten heb dat zij geen idee heeft wat ze nu nog aan die stok kan staan doen. Ze houdt de stok met een hand vast, duwt haar lijf er zijwaarts langzaam, maar helemaal overheen, één been, met geplooide knie gaat wat ongewillig mee, het andere blijft steken, dan laat ze zich wat plomp richting aarde zakken en ja. Dat is vijf. Zo! zegt ze, lacht naar me, zet haar helm op en steekt me razendsnel voorbij met die loopfiets van haar. Mijn kind.

De ochtend was de wereld van een prinses die weet wat ze wil. En nu gaan we lunchen.

Mijn eerste schooldag in maart

Ik was voor het eerst sinds maanden weer op mijn werk vandaag. Het voelde als een eerste schooldag en het was een beetje spannend. Ik verloor thuis al mijn personeelskaart, vond ze terug en verloor ze weer. Ik zocht lang naar mijn sleutels. Ik vergat de oplader van mijn laptop en kwam op het werk aan met een telefoon met lege batterij. Ik haalde chocolade uit de automaat, vrat die in één keer op. Ik haalde koffie die me niet erg smaakte, dronk er toch twee kopjes van. In de lade van mijn kastje lag nog een half pak muesli. Ik beantwoordde mails, maakte een planning, zocht papieren bij mekaar, haalde boeken uit de kast, aaide mijn muismat en stopte die in mijn tas. Ik zag dat vensterbanken waren leeggehaald en schoongemaakt, ik voelde dat mijn stoel was verwisseld met die van een ander, ik zag dat pennen en briefjes op tafels van collega’s er nog net zo lagen als in het vorige jaar en dat oude folders met gepasseerde programma’s nog lagen te blinken als nieuw. Ik zwaaide naar vertrouwde gezichten, stak mijn hoofd hier en daar binnen voor een praatje, groette mijn leidinggevende. Toen die zei dat ze me nog zou bellen, dacht ik: Oei, wat heb ik misdaan? 


 
Ik was er vandaag voor studenten die nog nooit in het gebouw waren geweest en elkaar en mij nog nooit in het echt hadden gezien. Samen met een vriendin die weet wat groepen in gewone en ongewone situaties nodig hebben, had ik een kort programmaatje gemaakt dat zij en ik bestempelden als positief, concreet en niet zweverig. En daar zat ik dan, in een lokaal met studenten die zeiden: zo, wat bent u lang, dat zie je zo niet op het scherm.  

En toen gingen we van start. En al snel hoorde ik studenten zeggen dat ze zich vandaag voor het eerst student voelden, dat ze waren verdwaald tussen gebouwen en van de pijlen naar links en rechts en naar hoekje om niets snapten, maar het heerlijk vonden. Er waren een paar studenten die gisteren nog een dip hadden door alle toestanden tegenwoordig, maar die vandaag leven voelden en zin hadden in meer. Ik zag studenten met rode hoofden van opwinding en ook eentje met tranen om iets wat op haar lippen lag en ze misschien later zal zeggen. Ik zag een student die wel drie keer opstond om te vertellen wat ze te bieden had en een student die bleef zitten en niet wist wat, maar uiteindelijk wel. Ik hoorde een studente zichzelf empatisch noemen en zag anderen die knikten omdat ze dat via het scherm al hadden gevoeld, er was er eentje die zichzelf een kritische vragensteller noemde en daar door de anderen voor werd bedankt, er was er eentje die zichzelf een doorzetter vond, maar zei dat hij het zonder dat ene telefoontje van die andere student al zou hebben opgegeven en …

Ik zag studenten die hun haar deze ochtend hadden gewassen, een lange bloemetjesjurk hadden aangetrokken, lekkers hadden meegenomen … voor deze dag waarop ze de muren van hun opleiding, elkaar en een stukje van zichzelf voor het eerst zouden ontmoeten.

Een droom

Ik heb de voorbije nacht gedroomd dat ik weer studeerde, aan de universiteit, opnieuw iets met literatuur, ik had al drie weken les gemist, waarom was onduidelijk, groepswerk was al volop bezig. Een vriendin die ook de studie deed en trouw de lessen volgde, had drie extra hand-outs, ze gaf één ervan aan mij. Bedankt, Sanne. Ik stond in de binnentuin van het universiteitsgebouw naast keurig gesnoeide buxushagen. Het was in de Rhodestraat in Antwerpen, nabij gebouw R. Ik stond in een rij van studenten die onregelmatigheden vertoonden. We kwamen om de beurt voor een soort kansel van de prof te staan, een kansel … het was eigenlijk een houten krat dat omgekeerd op de grond stond en waarop de prof voorovergebogen over een hoge tafel op een lange lijst zocht naar onze namen, met een potlood plaatste hij kruisjes en gaf tips voor het toch nog kunnen vormen van een groepje samen met andere studenten. De prof was blond en mager en vriendelijk. Ik kwam hem later die dag op weg naar huis nog tegen. Hij zat op de fiets, had het houten krat op zijn bagagedrager gebonden met daarin een leren tas. We groetten elkaar. Het was in de Oosterstraat in Warffum, ter hoogte van de voormalige Fokkens, een zaak voor Dier, Tuin en Ruitersport die inmiddels is verhuisd naar de Juffer Marthastraat, ook wel de doorgaande weg genoemd of door een zeldzame dorpeling ook wel als de snelweg bestempeld.

De prof wees me fietsend en over zijn schouder pratend op een ruilboekenkastje vlakbij tussen de velden. Hij noemde de titel van een boek dat ik er zou moeten vinden. Ik botste even later al op het kastje. Het was eerder een kast dan een kastje, telde wel tien planken en was hoger dan ik. De zon scheen op mijn rug terwijl ik de titels op de ruggen van de boeken las. Helaas weet ik niet meer welk boek de prof me had aangeraden, maar ik heb het wel degelijk in het kastje zien staan. 

Nog wat later kwam ik aan bij het huis van een medestudente met wie ik nu een groepje vormde. We zouden aan de slag gaan, want we hadden wel wat in te halen. Ze woonde nog bij haar ouders. Het was in de Burgemeester Guillonlaan in Kortrijk. De oprit voor haar huis helde naar beneden, de garage lag onder het straatniveau. Ik liep op de grijze tegels, ze hadden van die ribbeltjes, om de snelheid wat te breken. Ik klopte op een deur in een witgeverfde poort en werd binnengelaten. In de garage hing aan twee rekken was te drogen. De kleren waren gewassen met Dash, dat rook ik meteen. 

En daarna werd ik badend in het zweet wakker. Nee. Haha. Daarna werd ik wakker, gewoon, met het eerste licht van de dag, met een beetje dorst en met iets van verlangen naar een verhaal dat een beetje nieuw is en vooral vertrouwd of toch vooral een beetje nieuw.

Een stille knuffel

Na het werk staat de man anderhalf uur in de keuken. Hij maakt verse pizza, snijdt groenten fijn, scheurt mozzarella, maakt kruidenolie. De baby die de hele middag niet had geslapen, dragen we tegen het vallen van de avond en op kousenvoeten naar boven. Het kind zit naast de tafel op de vloer, probeert sokken en sloffen, huilt omdat ze prikken en gooit ze grommend door de kamer. Ook de lichte, zachte klompjes die ik net had besteld, kletteren tegen de muur. Ze gilt, boven wordt de baby wakker. Ik haal de baby, het kind rent de trap op.

We horen wat vallen boven ons. Daarna wordt het rustig. Ik drink twee glazen water. De man telt het bestek. Het kind komt beneden in pyjama, draagt daaroverheen een dikke trui, sloffen aan de voeten. Ze glimlacht zacht. Ze trekt aan de schuifdeur, maakt zo de kamer groter en dan komt er weer een gil en vloeien de tranen, haar vinger zat ergens klem.

De man en ik zitten elk aan een kant van de tafel, hebben elk een snikkend kind op schoot, aaien elk met een hand een gloeiend gezichtje, nemen met de andere stukjes pizza van de plank, wiebelen heen en weer wanneer we met het rolmesje een verse punt afsnijden. Zo zitten we daar toch bijna tien minuten, denk ik. De pizza is heerlijk, zeg ik. De man zegt dank je. En dan gaan we naar boven.

In het donker lig ik met de baby op bed. Het kind fluistert in de deuropening, vraagt of ze nog een knuffel mag geven, een stille. Natuurlijk. Ze legt haar armen om mijn hals, zegt: vergeef me. Maar liefje toch, zeg ik, het is oké. Ze raakt met een vinger de wangetjes van de baby aan en zucht. Ik zeg nog: We gaan er samen wat op bedenken. Oké mam, zegt ze, alles, er is voor alles een oplossing. Welterusten …

En het is nog niet eens negen uur

Ik zit aan tafel met mijn jas nog aan en mijn sjaal nog om, ik drink de koffie waarvoor ik daarnet geen tijd meer had.

Ze is vijf jaar geworden, sliep deze ochtend wat langer, kreeg telefoontjes van opa en oma, tante en overgrootmoeder. Opa speelde piano, tante zong een lied en voor overgrootmoeder moesten we onze antwoorden twee tot drie keer herhalen. Van tante kreeg ze een draagzak voor de poppen – die pakten we voor de camera uit – handgemaakt en in de zachtste stof, er staat ergens aan de zijkant een heel klein sterretje op. Ze wees het aan en .

Ze maakte de kaartjes open, beschreef de plaatjes en liet ons de teksten voorlezen. Ze herhaalde de namen van onze vrienden alsof het de hare zijn. Jákob en Nele. Waaw.

De blauwe jurk met bloemetjes hebben we gisteren klaargelegd, het randje ervan krult nog steeds naar boven, ook al ging de man er deze ochtend nog eens met het strijkijzer overheen. Ze wilde niet ontbijten, at toch één boterham en dronk wat water. Op tafel staan nog pakjes, die maakt ze straks open. Ze ging nog even naar de wc, zat daar voor zichzelf een verhaal te vertellen. Dan ging de jas aan. En de draagzak om. Poppetje Luuk is de gelukkige.

En toen hadden we nog drie minuten om naar school te gaan. We gingen naar buiten, ik droeg de mand met traktaties, de man zocht in huis nog naar een sjaal voor het kind, de baby hing tegen zijn borst, hoofdje naar achteren. Ze nam mijn hand vast: Ik ben precies nog vier en toch ben ik vijf. Ja. We stapten naar haar tweede volledige schooldag. Wil je een liedje voor me zingen? Jazeker. Een vader op de fiets zwaaide en zei: zó! De man kwam aangelopen met de sjaal, wapperend in zijn hand.

Het schoolplein was al leeg, maar jullie zijn nog niet te laat, zei de juf. Wat heb jij een mooie jurk aan, zei het kind, tegen de figuurtjes en de glinstering op de kledij van de juf. Een vriendje kwam gluren bij de deur, riep haar naam. Wij kregen een knuffel en ze stapte de klas in, met haar rugzakje, de sjaal eromheen gebonden, poppetje Luuk in de draagzak en haar mand vol slingers en traktaties.

We keken hoe ze in de klas bewoog, bij een troon ging staan en hoe de juf de draagzak losmaakte. De man keek me aan, we gaven elkaar een high five en stapten tussen de klimtoestellen en de hinkeltekeningen het schoolplein af.

Ik dacht: laten we een kleine, eenvoudige traditie introduceren

Wil je me dit verhaal horen voorlezen? Beluister het in De Tiny Podcast.

Het was de week van de Poëzie. En ergens in het begin van die week dacht ik bij de lunch: laten we een kleine, eenvoudige traditie introduceren. Dat ging zo: De man zet de laatste dingen op tafel, staat nog eens op voor een vork voor het ene kind en een slabbetje voor het andere. Hij giet verse soep in kommen en staat ook wat op tijd, over een klein half uur zal hij naar boven gaan voor een vergadering achter het scherm.

Op tafel liggen vijf dunne dichtbundels. Ik neem de bovenste; een rode met over de hele kaft verspreid glinsterende donkerrode stipjes. Ik blader naar het op een na laatste gedicht, laat daar het leeslint tussen de pagina’s vallen en zeg: Jongens, voor we gaan eten, ga ik een gedicht voorlezen. En ik kijk met opgetrokken wenkbrauwen, naar de man, het kind en de baby. De man zegt oké en frommelt een papieren broodzak open, haalt er een pistoletje uit. Ik kijk hem aan en wacht. Doe maar, doe maar, zeg hij en zet de tanden van het broodmes krakend in de korst. Dat gaat zo niet, zeg ik. Dat gaat wel, zegt de kleuter.

Ze springt van haar stoel af en kruipt in een lege kartonnen doos die daar zomaar naast de tafel staat te staan.

Kom maar aan tafel, zeg ik, ik ga een gedicht voorlezen.

Het kind in de doos, klapt de flappen boven haar hoofd dicht en speelt dat ze een baby is: whè-whè.

Ooooké, zeg ik, het gedícht kómt nú. 

Het kind stapt uit de doos en gaat weer zitten. Ik neem de bundel in één hand, probeer met de andere wat sfeer en spanning te brengen. Ik til een hand op tot naast mijn hoofd, zet duim en wijsvinger op mekaar, laat mijn hand zo enkele seconden hangen in de lucht en met het lezen van de eerste woorden sla ik met mijn hand zachtjes de maat.

Geef    me    je    jas.

Dan laat ik mijn hand zakken, buig voorover in de richting van het kind, articuleer traag en duidelijk, regel na regel, leg klemtonen die het gedicht wellicht niet alle eer aan doen, maar wel daar waar ik denk dat het kind ze wil, bij teddyberen en winterkleren. En bij zoen me tot ik warm word en zoen me tot ik spin.

Ik wil spelen, zegt het kind. We gaan eerst eten, zeggen wij. En ik herhaal:

Zoen me tot ik warm word.

Zoen me tot ik spin.

Tussen regel zes en zeven legt de man de baby op mijn schoot. De baby zoekt en vindt de borst en ook het boekje in mijn hand. Nee, schat, laat los.

De man draait een glazen potje open, prikt met een vorkje klettert naast de olijven. De kleuter zit weer in de kartonnen doos.

Zég, ‘t is wel de week van de poëzie, é! En ik heb ook honger, dus ik wil dat gedicht hier lezen en eten.

Er valt een stilte – en een mes, uit de hand van de man, kling, naast zijn bord. Ik leg de bundel met een zucht opzij, gebruik beide handen om de baby rechtop te zetten en haar te laten drinken. Dan neem ik de bundel weer vast en begin opnieuw: Geef me je jas van bont van teddyberen. Sla je arm om me heen en al je winterkleren. Ik zie in mijn ooghoek dat de man zo traag en stilletjes mogelijk op zijn pistolet aan het kauwen is. Zoen me tot ik warm word. Zoen me tot ik spin. Trek je eigen huid dan uit, stop mij eronder in.

Het kind kijkt mij aan, een broodkorst hangt op haar onderlip naar buiten, ik vind het eng, ze gaat van tafel, kruipt bij de man op schoot, drukt haar neus in zijn trui.

Hoezo, ik vind het eng? Het is totaal niet eng. Het is een gedicht van Bart Moeyaert en Bart Moeyaert schrijft geen enge gedichten. Integendeel. En dit gedicht is wel het liefste en lichtste, zachtste en zoetste, knuffeligste en knoezeligste gedicht van heel die bundel. Ik gooi het leeslint weg van tussen de pagina’s, het hangt slap naar beneden, raakt de boter. Ik sluit de bundel, gooi hem weer bovenop de rest.

Nee, zo is het niet gegaan, of toch niet helemaal. Er was wel het geritsel en gefrommel en het gekletter en gekraak, het gekorst en geknabbel, het gedrinken en gedozen

en het gedicht

Maar daarin was ik amper halverwege. Nog een keer proberen. Hier komt het.

Geef me je jas

van bont van teddyberen.

Sla je arm om me heen

en al je winterkleren.

Zoen me tot ik warm word.

Zoen me tot ik spin.

Trek je eigen huid dan uit,

Stop mij eronder in.

Sus me met je hartslag.

Wij ons wij ons wij ons.

Maak van dit veel te grote bed

een heel klein fort van dons.

Mooi, zegt de man. Mag ik nu pindakaas, zegt het kind. Ik drink mijn soep. Lauw. Ik krijg een knipoog van de man. Hij staat op, zijn overleg begint.

En de dag gaat verder, langs een pad door het bos, langs lijnen met krijt op de stoep, met een hand langs een rug en tenslotte langs de trap naar de nacht. Het kind rommelt in haar kamer de laatste dingen een plek, de baby bij me, een handje tegen mijn hals, de man laat badwater gaan. Ik kijk naar wat op mijn kastje ligt en ik straks kan gaan lezen.

Dan komt het kind nog even bij me, schuift blote voeten onder mijn benen, aait slapende zus. De man vult ook zijn plek op het bed. En dan zegt het kind: Slaap lekker en poewei, pauweisie, pauweisie-schatjes, jullie zijn poeweisie-schatjes, tot morgen.

Tot morgen, lief kind.

De titel van het gedicht van Bart Moeyaert is Siberië, verschenen in Verzamel de liefde, 2003.

Elke vrijdag schenkt De Tiny Podcast een poëziepauze, dan is iemand aan het woord over een voor hem bijzonder gedicht.

Het is allemaal niet simpel

We bleven ergens plakken en gingen naar huis toen het al donker was. Er lag sneeuw, we zetten sporen waar nog niemand had gestaan. Ze wilde een sneeuwballengevecht. Dat hield in dat ik standbeeldstil moest staan en met dichtgeknepen ogen stond te wachten tot een sneeuwbal van dichtbij tegen me aan werd gegooid. Ze gierde het uit. Toen ik in de aanval ging en een sneeuwbal tegen haar buik gooide, liet ze de sneeuw uit haar handen vallen en huilde luid en met open mond en haar hoofd in haar nek. Het was een kort, maar hevig moment, zo in het schemerlicht van een lantaarn in de verder verlaten en donkere straat. Ik stapte dichterbij, ging door de knieën en omhelsde haar.

In de volgende straat kwamen we bekenden tegen. Ze ging erachteraan met sneeuwballen, kreeg zelf een pak sneeuw in de nek, gaf geen kik, rende rond en veegde met blote handen sneeuw bijeen. Weet je, zei ze, mam en ik houden een gevecht en toen gooide mam een sneeuwbal tegen me aan, ik werd daar zó verdrietig van.

Het is ook allemaal niet simpel, hé, kind. Je hebt de tijd van je leven. We spelen. We lopen in het donker over straat, vinden paden vol verse sneeuw. We houden een sneeuwballengevecht, dat betekent dat iedereen mag gooien en dat iedereen geraakt kan worden. Maar dat is niet simpel, hé, kind?

Deze ochtend dansten we in de woonkamer, klapten in onze handen en wilden steeds dat ene vrolijke lied, opnieuw en opnieuw. En daarna zouden we naar buiten gaan en ik zei: Kom, let’s go, doe je laarzen aan. Ze ging wat spelen met een balletje. En ik zei het nog een keer: doe je laarzen aan en nog een keer en nog een keer en nog een keer en nog een keer en nog een keer en nog een keer. Ik stond te wachten met mijn jas en sjaal en muts en baby in dik pak en ik droeg nog even een kopje naar de keuken en kwam terug en zei ik zou het nu echt fijn vinden als je je laarzen aan doet en het werd warm en ik kreeg hoofdpijn. Doe je laarzen aan, zei ik, ze liet zich achterovervallen in de zetel, schreeuwde: nee! En toen schreeuwde ik: Laarzen aan, nu! En zij weer: Neeeeee!!

Ik heb toen de laarzen genomen, ze met een grote zwaai voor haar voeten neergegooid. Ze gilde – waaaaaaaaaaaaaaah – met beide armen in de lucht. De man denderde de trap af, kwam kijken wat zijn vrouwen deden, hielp haar in haar laarzen.

Pffffff. Het is ook allemaal niet simpel, hé, kind. Je hebt de tijd van je leven. We spelen. We dansen. We lopen over straat, hand in hand. Sorry, mam, van de woorden die ik zei en dat ik zo schreeuwde. Het is oké, schat. Sorry, kind, van de laarzen die ik door de kamer gooide en dat ik zo boos was en zo schreeuwde. Het is oké, mam.