Gedichtendag 2021, een gedicht

Een gedicht voor gedichtendag. Je kunt luisteren of lezen en daarna nog eens lezen of eerst luisteren en daarna nog lezen of eerst lezen en dan luisteren of luisteren en ondertussen ook lezen. Dat mag je zelf beslissen.

ik droomde de hele nacht in woorden

daar kwam geen beeld – nee – aan te pas

het is dan ook naar ik las

vandaag gedichtendag

dus alles met gedichten mag

en de pech is eigenlijk nu

dat ik vandaag gewoon moeten werken

terwijl ik voel dat dat niet klopt

ik droomde de hele nacht in woorden

in een ritme, met muziek

en heel af en toe in rijm

en gelukkig ook in wat herhaling

anders zou ik dit gedicht al lang vergeten zijn

en hier, bij het ontbijt

zie ik op de klok

gedichtendag is al zes uur bezig

en ik word me nu toch lezig

mijn vingers zoeken boeken

mijn ogen willen woord

en mijn hart wil gewoon vrijaf

om poëzie te lezen, ongestoord

maar ja, ik zei het al: ‘k moet werken

da’s weer een construct van het systeem

om me te doen vergeten, te verhinderen

dat ik ’t leven in een bundel neem

ik kan natuurlijk zelf wel wat bedenken:

zo om het uur een pauze 

voor ‘t lezen van een gedicht

of ik gebruik vandaag enkele rijm

in een mail of een bericht

en ik geef natuurlijk geld uit 

aan woorden op papier, 

ik koop online werk 

en laat dat leveren hier

ik kan mensen om leestips vragen

of zelf gedichten schrijven op het raam

ik was daar gisterenavond eigenlijk al mee begonnen, 

was met een voet al op een kruk gaan staan

tot ik besefte – zo ineens – hoe vuil mijn ruiten zijn

ik moet dus eerst een poetsdag voor de schone schijn

alvorens ik het raam vul, met woorden en witte stift

ik hou het voor het gemak dan maar

vandaag, bij pen en een mooi schrift.

Als iedereen slaapt

Misschien vind je het leuk om eens naar een verhaal van mij te luisteren in plaats van het te lezen? In De Tiny Podcast van 22 januari 2021 hoor je me dit verhaal voorlezen.

Aapje slaapt. Baby niet.

Kind, in de kamer hiernaast, slaapt ook niet. Heeft net het licht weer aangedaan, leest een boek. Kleine beer slaapt wel. Hondje ook. Poppetje Karel ook. Olifant ook. En ook grijze beer slaapt.

De man slaapt ook. Hij heeft zich de laatste tijd geforceerd. Dus hij slaapt. Ik snap dat.

Ik slaap niet. 

In de kamer waar nu het licht weer brandt zat ik een half uur geleden op mijn knieën voor te lezen met gebaren en met stemmetjes. De oudste luisterde woelend en draaiend bovenop het dekbed, vroeg af en toe naar een pagina terug. De jongstescharrelde ondertussen wat rond over de vloer, de sokken uitgetrapt, het pyjamabroekje afgezakt, voeten volledig verdwenen in de loshangende pijpjes. Ze trok wat boeken uit een rek, kroop in het bedje bij poppetje Karel, we hoorden een plankje kraken, poppetje Karel hing met zijn matrasje half op de grond. Het kind op bed veerde kwaad recht, haalde uit naar de baby. Ik hield haar tegen met een arm, greep de baby beet en duwde met een derde arm het plankje weer op zijn plek, ik streek de lakentjes glad. Oef, poppetje Karel heeft er niets van gemerkt. Het kind ging weer liggen. De baby klom op mijn schoot. Na twee verhalen ging het licht uit, bleef ik zitten op een stoel in het donker en nam de baby aan de borst. Met een voet streelde ik de rug van het liggende kind. Ze fluisterde nog wat tegen een knuffel en vroeg nog wat er nu eigenlijk met papa is. De baby werd wild, dus ik verliet zachtjes de kamer, zei dat ik straks weer zou komen piepen en ja, de deur mocht op een kier. 

Ik lig nu in mijn eigen bed. De baby bovenop me begint zwaar te worden, de adem klinkt als slaap, een beentje schopt nog wat.Vanuit de andere kamer fluistert het kind hard naar me. Iets over nóg een boek. Ik fluister hard terug van nee is nee en uiteindelijk van ja oké nog eentje dan. Ik zie nu in gedachten hoe het kind daar zit, op bed, het boek steunend tegen de opgetrokken knieën, bladerend, zachtjes zichzelf voorlezend, af en toe een slokje nemend van het glas naast het bed.

De baby is in slaap gevallen. De deur van de kamer hiernaast gaat open. Blote voeten komen mijn kant op: Mama, het boek is uit en ik kan echt niet slapen. Ik ga, met de baby op mijn borst, half rechtop zitten, kijk het kind in de deuropening met grote ogen aan, haal haar met een knik van mijn hoofd dichterbij. Ja, vraagt ze. En ik zeg: Schat, wéét je … dat kinderbedtijd al láng voorbij is? Weet je dat? Ze zegt niets, kijkt me met open mond aan, schudt van nee en gaat terug haar kamer in. Ik hou mijn adem in, laat de baby van me afglijden. Ik ruim wat kleren op bij het zwakke licht van een lampje. Als ik nog even bij het andere kind ga kijken, zie ik de man aan de voet van het bed met een hand op de lakens en een hand aan zijn hoofd. Hij ziet het zitten daar even te zitten, zegt hij. Zeker? Ja.

In-mij-versnelt-de-hartslag, de-tijd-is-aan-mijn-kant, mogelijks een magisch uur, ik voel vuur, de plannen in mijn hoofd cirkelen voorbij, ijveren om uitvoer. Ik snel naar beneden, veeg de grootste plakkerijen van de tafel en de vloer, zoek papier en pen, haal wat te drinken en te eten, schipper heen en weer tussen eerst berichtjes sturen of eerst wat schrijven en zelfs even tussen toch de was ophangen of speelgoed opruimen. Nee, dit-zijn-mijn-uren. Of beter. Dit-is-mijn-uur. Ik heb een uur. Want het is al laat en rond de klok van tien ligt doorgaans een grens die ik maar beter niet overschrijd. Maar ook dat valt te bezien. We zullen zien. Misschien ben ik straks wel zo op dreef, dat ik alles geef, zó voel dat ik leef …

Gisteren liep de avond zoals de avond vandaag. De rituelen. De duur. De druk. Ik heb toen enkele foto’s gemaakt van het moment waarop de kinderen eindelijk sliepen, en daarna ook nog wat foto’s van een volle tafel, een smerig fornuis, een gootsteen vol vuiligheid. En manden met natte was. Ik had op die foto’s wat korte teksten gezet over wat me – dacht ik – nog allemaal te doen stond in die late avonduren, terwijl iedereen sliep, de kat rond mijn been cirkelde en er uit een dampertje wat stoom met een rustgevend geurtje omhoog spoot. Ik schreef onder andere dat ik het fijn zou vinden mocht een vriendin nu voorstellen dat ik alles zou laten vallen en liggen, dat ik zou gaan slapen en dat zij de volgende dag zou komen helpen. Ik zou dan uiteraard voorstellen voor haar hetzelfde te doen. Overmorgen.

Ik heb dat altijd een heel mooi idee gevonden, in een soort beurtsysteem met een legertje vriendinnen voor elkaars deur staan om samen te doen wat er te doen valt: kleerkasten uitmesten, keukenkasten schoonmaken, koelkast legen, trappen stofzuigen, vloeren dweilen, was plooien … Het idee alleen al geeft me een enorm gevoel van tempo en vooruitgang. Maar ja. Het isnatuurlijk makkelijker den brol en de miserie van een ander op te ruimen dan die van jezelf. En zo’n leger vriendinnen met schortjes voor en bezems in de hand lossen op lange termijn niets op, maar het zou toch helpen – denk ik – om het hele huishouden even te resetten en een mens een nieuwe start te geven.

Goed. Ik deelde dus wat foto’s en wat verhaal op mijn sociale platformen. Met een schuursponsje in de hand stond ik af en toe even stil, leunde voorover op het aanrecht en las reacties. De eerste reactie was: Ik mis je. Verder kwamen er steunbetuigingen als Wat een zware dag! En Ik duim! En er volgde ook nog wat goeie wil in: Jammer dat je niet in de buurt woont en Morgen zal niet lukken, maar later wel. Bedankt, vriendinnen, echt. Ik zou jullie graag ontvangen, met open armen en ook voorstellen aan elkaar, jullie kennen mekaar niet, maar zouden een aardig legertje kunnen vormen. Ik zorg voor koffie en thee met iets lekkers. Verder hoef je ook geen doekjes of productjes mee te brengen. Die heb ik in overvloed en grotendeels nog in de verpakking.

verzameld in het karretje van poppetje Karel

We zijn nu dus 24 uur verder en er is hier in huis niet zo veel veranderd. Deze ochtend heb ik de twee kinderen in bad gedaan, de man is er even op een krukje komen bijzitten zodat ik kon douchen, daarna is hij weer gaan slapen, we hebben vredig ontbeten, ik heb op handen en voeten kaas en kruimels weggehaald vanonder tafel, ik heb het vuilnis bij de straat gezet, we hebben brood gehaald bij de bakker, we zijn gaan wandelen op het pad langs het spoor, zagen dat de werken die daar al een tijdje bezig waren, bijna zijn voltooid, in de hoopjes aarde langs het pad vonden we tussen steengruis en brokken beton ook wat gekleurde scherven, die hebben we verzameld in het karretje van poppetje Karel. Midden op het pad heb ik met openhangende jas de baby de borst gegeven en staan praten met een man uit het dorp. Hij had nieuwe wandelschoenen aan. Ik zag het. Ik heb soep gemaakt voor de slapende man en zorgde voor verse thee. Ik heb de vaatwasmachine leeggehaald en weer gevuld en weer leeggehaald en weer gevuld. Ik heb groenten gesneden en de baby weggeritstvan bij het kattenvoer en ik heb het kind kunnen overtuigen om na enkele filmpjes wat tekeningen te maken aan tafel. We hebben fruit gegeten, zijn nog wat dingen gaan halen in de winkel. Ik heb vier kaartjes geschreven voor het nieuwe jaar en die zijn ook op de bus gegaan, de baby heeft wat administratie uit mappen getrokken en over de vloer verspreid, ik heb gepraat met de buurman over zijn huis zonder tuin. Ik heb in twee delen een podcast beluisterd die in totaal 12 minuten duurt. Het ging over magische uren, uren tussen de bedrijven door, waarin je hoopt overzicht te scheppen en bergen te verzetten. Haha. 

Gisteren liep de avond zoals de avond vandaag en zoals de avonden die volgen. De rituelen. De duur. De druk. Alleen voelde het gisteren ellendiger, want ik zat er middenin en zag niets anders. 

En nu zie ik de rommel nog steeds en de vuiligheid en het geplak en de natte was moet misschien maar weer gewassen. En hoor ik daar niet een baby die wakker wordt en een kind dat niet kan slapen? Het is er allemaal. Maar vandaag voelt het toch wat anders. Want tussen toen en nu ben ik er een beetje van tussenuit gehaald. Want ik heb het gezegd en gedeeld. En het is opgevangen. En dus, dat scheelt.

‘k Was haast vergeten

Zeven jaar geleden woonde ik in Gent, ging ik met de auto naar de carwash en met mezelf naar de sauna en de schoonheidsspecialiste. De puist op mijn voorhoofd kreeg ze niet weg. Ik belde met camera naar een oudere vriend om te vragen hoe erg hij het er uit vond zien. Het zou geen problemen mogen geven, zei hij. Ik kookte twee dagen onafgebroken, had gemarineerde champignons, aardappeldauphinoise, lasagne met wintergroenten, tofusalade, een niet te versmaden notentaart, perenspeculooscake, mokkabrownie en heerlijke kaasjes in de koelkast. Ik had gestofzuigd en gedweild van boven tot beneden en zelfs de muren met een doekje afgewassen. Ik ben een bescheiden stereo-installatie gaan kopen en legde er op het kastje wat goeie cd’s naast. Die middag ging de bel en stond de man voor de deur, hij droeg een zwarte trui met rolkraag en een colbert, hij had een cadeau mee, maar ik weet nu even niet meer wat dat was. We dronken koffie uit het espresso-kannetje, gingen wandelen in een natuurdomein in de buurt, kozen voor elkaar een drankje uit in een café aan het water in de stad, wandelden naar huis in het donker, stonden daar in de kamer nog wat met elkaar te praten en verwonderd te wezen over hoe alles ging, ik deed het die avond ook nog bijna in mijn broek van het lachen. 

Vandaag heb ik wat opgeruimd in de kamer die eigenlijk de logeerkamer is, maar waar al maanden een tafel staat die wij delen om aan te werken, aan te vergaderen van achter een scherm of les te geven. Het is  doorheen de maanden een enorme bende geworden, zeker omdat ik bovenop de tafel die al vol papieren en boeken lag ook nog eens de in de badkamer en hal rondslingerende kleren heb gegooid. Ik ben er lang mee bezig geweest en het werd een beetje vervelend toen de man ontdekte dat ik vooral zijn spullen was gaan opruimen. Gelukkig is dat inmiddels redelijk uitgesproken. Ik wierp op dat dat per ongeluk was gegaan. Hij wilde nog beginnen over patronen en het focussen op andermans problemen in plaats van op die van mezelf, maar dat heb ik toch grotendeels kunnen verhinderen.

Onze oudste muis stak bij zo’n twaalf mensen in de buurt een kaartje in de bus. In de zomer moest ik haar nog optillen bij de brievenbus van een jarige buurjongen, nu kon ze overal bij, soms op de toppen van haar tenen. We liepen over straat en ik zei goeiemorgen tegen een man die met een ladder aan kwam lopen. Het was op dat moment half één, maar als je wat later opstaat in de vakantie voelt de middag vaak als ochtend. De man heeft het zoldertje aangepakt, vond in een doos een set linnen gordijnen en heeft die op een sensitief programma in de was gedaan. Niet dat we die hier nu ergens kunnen ophangen, maar ze zijn toch gewassen. De jongste muis heeft al haar luiers uit het pak getrokken en rond gegooid, ze heeft ook de schone was uit een krat gehaald en is er vervolgens zelf, met het hoofd eerst, ingetuimeld. Deze middag heb ik liggen slapen op de bank terwijl de oudste een filmpje keek en de kleinste met beenwarmers om in de draagzak tegen de borst van de wandelende man lag te slapen. Toen ik wakker werd, kwam hij me fruit in een schaaltje brengen en vroeg: Weet je het nog, zeven jaar geleden? Ik zei ja en vroeg welk cadeau hij toen voor me had meegebracht, maar hij wist het ook niet meer. Het waren geen bloemen, besloten we samen. De man wou me een knuffel geven, maar de oudste heeft hem afgepakt. 

En toen gingen we aan tafel. De man had een heerlijk soepje gemaakt van look, ui, gember, de steel en de bladeren van een broccoli, niet meer en niet minder, het was perfect. Ja, zei hij, sinds ik je ken. De oudste muis koos een broodje uit de schaal, legde een eitje op haar bord en nam de stroop. De man vroeg: Wat gaan we doen? Ze zei: Stroop op het ei. En tegen het ei in haar hand, zei ze: Let wel op voor het kuikentje.

We zongen tijdens het eten wat willekeurige frasen uit een hit van Doe Maar: 

liefde oh liefde, waar was jij toch al die tij-ie-ijd

‘k was haast vergeten, hoe ’t voelt om verliefd te zijn

Na het eten ben ik maar snel even de kleren gaan opvouwen die nog op onze werktafel in de logeerkamer lagen. De oudste muis zat ondertussen in bed en keek lang en traag naar de prenten in een groot boek. Toen ik bij haar ging zitten, haar voeten inwreef met zalf uit een pot die ze had klaargezet en ik op fluistertoon de nacht binnenbracht, kondigde ze aan dat ze nog wel drie boeken wilde. Het zijn er twee geworden. Het licht is daarna nog een aantal keer aan en uit gegaan, ze heeft nog wat gedronken, een beer een nieuwe plek gegeven, lakens van zich afgetrapt en gezegd dat ze erg van me houdt. En weet je hoeveel ik van papa en van Nora Lou hou? vroeg ze. Ik zei nee, maar wist dat ik weer het onderspit zou delven. Wel zeker 100 milliliter! Ik gaf haar een kus op haar voorhoofd, vroeg nog of ze lekker lag. Ze bleef maar draaien en keren en het licht aan en uit doen en omdat ik beneden de jongste wakker hoorde worden, ben ik de trap afgegaan en is de man bij de oudste gaan zitten. Na een paar minuten sliep ze. 

Ik krijg nu net een berichtje van de man. Of ik het horloge dat hij me op een foto doorstuurt, mooi vind. Het horloge heeft een naam; Queen. Ik moet voor 24u beslissen of ik het wil, want dan gaat hij naar bed. Doei.

Misschien weet ik nu ook al wat wij deze week gaan eten

Ze zong. ‘Een bos, een bos, een bos, het is een mooi bos, een bos, een bos, een bos, het is mijn bos. Ik mag niet te veel bellen anders schrik ik de dieren weg.’ En ik erachteraan. Met het bos in de longen. En de man en de kleinste muis zo’n honderd meter achter.

Ze maakte vaart op het pad en riep: ‘En als je paddenstoelen ziet dan zeg je stop, kom hier.’ Ik riep oké naar de trappende voeten.

(Oei ik moet nu even naar beneden snel een deken om mijn schouders ah hier dat babydekentje tegen de kou oké ik ga zo verder.)

Goed. De paddenstoelen, tjah, voor paddenstoelen is het niet meer het moment, maar ze zag ander moois in het bos. Drie blaadjes met een donkergroene rand en een steeds lichter wordend binnenste, van grijs naar zachtgroen naar bijna wit. En ze zag een kleine rode varen. Ik had hem ook al gezien. Ze remde, vroeg of ik de varen wilde plukken en ook nog wat jonge plantjes die in een groepje bij mekaar stonden. Ik deed alles in haar fietsmandje en zei dat we bij thuiskomst de plantjes zouden drogen. Maar bij thuiskomst heb ik blokken hout voor het haardvuur in een bak gelegd en aan de plantjes heb ik niet meer gedacht.

Maar daarnet dus wel! Vandaar dat ik even naar beneden liep. Ik heb de plantjes uit de fietsmand gehaald. Op het aanrecht in de keuken heb ik ze voorzichtig tussen krantenpapier gelegd. En nu liggen ze in dat krantenpapier tussen Jamie Oliver en Yotam Ottolenghi. Vroeger zouden ze tussen telefoonboeken hebben gelegen, maar die bestaan niet meer. Ik vroeg het deze middag nog aan mijn ouders, of ze nog telefoonboeken hebben. Maar nee, ze hebben ze nog niet zo lang geleden weggedaan. Dat dunne grijzige papier, overvol bedrukt, nauwelijks marge en witregel, en die inktgeur.

Trouwens, een geluk dat ik uit bed ben gegaan om die plantjes te drogen, want het licht brandde nog in de schuur. De mensen zouden zich wel eens kunnen afvragen wat wij een hele nacht in zo’n koude schuur zitten te doen. Of ze zouden ons verspillers en verkwisters kunnen noemen omdat wij daar al die uren het licht laten branden en dat zou toch wel spijtig zijn voor een gezin met een milieu-econoom aan het hoofd. Nu ja, het licht is uit. En bij Ottolenghi zag ik trouwens een tagliatelle met walnoot, salie en citroen. Dat zou deze week wel eens op het menu kunnen staan.

Welkom op zijn minst

De dag gaat liggen, loopt op zijn einde. De lucht is grijs, zeg ik. 

Nee, zegt de kleine op de achterbank. Ze wijst met gestrekte arm naar het raam, naar daar achter de molen. Daar is de lucht licht. Daar hangt onder het grote, donkere vlak nog een streep roze boven de velden. 

Ik rij en kijk zo lang mogelijk naar links, naar die streep die langzaam lijn wordt. 

Dat is toch altijd iets, hé, denk ik. Zo’n gekleurde lucht. Dat is áltijd iets. Een teken. Een bericht. Een oproep om te leven. Om je thuis te voelen. Of welkom op zijn minst. 

Wij gaan huiswaarts. Door het raampje van de schuur zie ik de man al staan, klaar om te helpen met uitladen. Ik rijd weer van de oprit af, maak een zacht bochtje en rijd er achteruit weer op. Met de tassen vol boerenkool, de kleine broccoli’s, de winterpostelein en de veldsla met de slijmerige onderkantjes recht uit de grond. Veel boerenkool, zegt de man. Ja, zeg ik, maar je kunt het gemakkelijk invriezen. Dan moeten we wel plaats hebben in de diepvries, zegt hij nog. Ewel, zeg ik, dan halen we er gewoon eindelijk eens al den brol uit. 

Hij lacht. 

Een kwartier later staan de groenten in de schuur, is de kleine met stift giraffen aan het tekenen en zit de allerkleinste rechtop in een boekje te kijken. Nog een kwartier later zitten we met dikke truien aan om de tafel, de ramen staan open, want de kachel is gaan roken. En de vegetarische balletjes zijn aangebrand. 

De lucht is hier grijs, zeg ik. Ja, zegt de kleine, maar kijk, het gaat al beter. In de kachel is vuur en veel licht. Ah, dat is goed, zeg ik, want licht is altijd een teken.  

Okay

Ze stootte tijdens het ontbijt haar vitaminedrank om. Volgens de man kwam dat doordat ik haar een vraag stelde en zij was afgeleid. De dag ervoor had de man in de keuken een ei gebroken. Zogenaamd ook omdat ik hem een vraag had gesteld.

Ik vind dat raar. Dat je een bekertje omstoot of een ei breekt omdat iemand je een vraag stelt. En dat op een moment dat er één en al geroezemoes en bedrijvigheid is. Aan de aard van de vraag kan het niet liggen, want ik kan ze me niet meer herinneren, bijzonder zal het dus niet zijn geweest.

Ze mocht het sap van de tafel likken. De man hield haar zowat horizontaal boven het tafelblad. We hadden de grootste lol. Ook de kleinste muis met broodkorst in de hand, vond het vermakelijk, zat de glunderen. Met dat kleine hoofdje.

Deze avond heb ik beide kinderen in bad gedaan. Tegelijk. Dat komt haast nooit voor, ik vind dat namelijk een grote opdracht. Een kleuter en een baby tegelijk en veilig in het water krijgen. De grootste muis is best zelfstandig. Ze kleedt zich uit, wast zich, droogt zich af, kleedt zich aan, ze kan haar was sorteren en haar tanden poetsen. Ze heeft bij dit alles wel een eigen tempo en een voorstelling van hoe de dingen moeten verlopen. Ze stelt ook vragen. Moet een witte onderbroek met roze hartjes bij de witte of bij de gekleurde was. Zou je geloven dat ik het ook niet weet?

De kleinste muis wilde spelen terwijl ze werd afgedroogd en aangekleed. En ik moest eigenlijk de hele tijd al naar de wc. Ik heb de voeten van de beide muizen ingewreven met olie. De kleinste muis lachte, dronk nog even aan de borst, sloot de ogen en sliep. De oudste muis lachte, dronk van een glas water, vertelde over de dag, legde het kussen anders, zocht een goeie plek voor vier knuffels, vroeg of ik ook haar benen met olie … We lagen in het donker, luisterden naar zachte muziek, haar hand lag in de mijne. Ze was nog stilletjes van alles aan het zeggen:

Hé, wat is eigenlijk jouw lievelingskleur?

Roze. Rozerozerozerozeroze.

Okay, dat is goed, asjoeblaift.

Tenkjoe.

Een klein avondje

Al drie avonden op rij gaat dat hier redelijk vanzelf. De grootste muis blijft aan tafel zitten tijdens het eten, eet in minder dan een half uur haar bord leeg, ruimt ijverig mee de tafel af, trekt vrolijk naar boven, laat het bad vollopen, gooit haar kleren in de deuropening op de grond, voelt of het water niet te koud of niet te heet en strooit wat badzout in het rond, vraagt om opdrachtjes-voor-in-het-water, neemt genoegen met dat we dat nu even niet willen, stelt voor dat we haar Bas of Rola noemen en als we dat doen, komt ze zonder protest uit bad. Kom, Rola, het is goed geweest, kom er maar uit. – Ooookay, Pap! Terwijl ik dan in de ene kamer met de kleinste, leest de man haar voor. En na een kort verslag van iets wat ze leuk of niet leuk vond of niet begreep en nog een paar diepe zuchten, is ze vertrokken. Dan openen de man en ik de deuren, kijken nog eens over onze schouders naar de slaap en sluipen achter elkaar aan de trap af, zitten samen op de bank, lezen een boek, kunnen onze gedachten nauwelijks bij de letters houden, kijken elkaar voortdurend aan en denken, zeggen Dit kan toch niet waar zijn? Is dit echt aan het gebeuren? Dat wij hier samen zitten terwijl die twee …

Vandaag gaat het wat anders. De muis heeft wat voorstellen die ze prevelt met een liefelijk stemmetje, veel verkleinwoorden, schattige en relativerende termen. Hé mama, als ik me dan lekker afdroog en helemaal warm ben en dan mijn zachte badjas aantrek dan kan ik zeker nog wel eventjes naar beneden en daar dan nog eventjes tekenen, gewoon een kleine tekening, dat is toch echt een goed ideetje? Of even later: Mama, wat misschien echt een goed ideetje is voor mij, is dat papa beneden nog wat knutselspullen haalt en die naar mijn kamer brengt. Ja? Ja, gewoon, eventjes, zo voor een klein avondje. Wij prijzen haar voorstel en zeggen dat dat helemaal goed is voor een andere keer, morgen bijvoorbeeld, en we lachen zacht om hoe ze het brengt.

In de ene kamer lig ik met de kleinste muis van zeven maanden die drinkt, tweemaal met de ogen en slaapt, in de kamer naast me begint het ene verhaal na het andere en wanneer de man weigert om cijfers van één tot zestien op een briefje te schrijven, gaat het mis. Ik hoor hoe hij rustig blijft en elk verzoek zachtjes terug onder de lakens tracht te schuiven. Hij staat plots in mijn kamer, vraagt zachtjes of ik eventjes bij haar wil, zodat hij naar beneden, in zijn badjas, dringend nog iets, het duurt te lang zo en anders, ja? Ik zeg ja en zie dat hij dat niet verwacht. 

Als ik dan bij haar ga kijken, zit ze rechtop in bed tussen opengeslagen boeken. Wil je met mij rekenen, vraagt ze. Je mag mij veel vragen, maar rekenen? En zeker niet na negen uur. Ik vertel zachtjes dat ik er ben om heel eventjes bij haar te zijn, dat ik de lakentjes over haar heen en het lampje uit en ja, goed ideetje, toch? Ze gaat in het verweer en ik besluit dat er middelen nodig zijn. Ik ga beneden voor mezelf een groot glas water halen en voor haar: kaarslicht en olie en ik steek relaxerende pianomuziek in het zakje van mijn pyjama. Ik kom haar kamer binnen, ze is verrukt, volgt het vlammetje in de oranje houder, zegt meteen dat ze erg geniet van de muziek. Ik ga fluisterend aan het voeteneind zitten, klap de boeken dicht, leg ze opzij en wrijf haar twee eindjes in met olie. Masseren is niet mijn talent, zegt ze. Nee?, vraag ik. Het is wel jouw talentmamamasseren past echt goed bij jou. Ik wrijf de olie uit over haar onderbenen, ze gaat liggen op een zij. Ik wil ook haar handen wrijven, maar dat hoeft niet. Morgen, misschien. Ze ligt met haar neus tegen die van haar knuffel. Ik kruip dichterbij, buig voorover en streel met twee vingers haar gezicht. Ik geef haar een kusje, blijf hangen, wrijf mijn neus over haar wangen. Haar ogen vallen dicht. Dan zegt ze: Niet zo stijf op me drukken. Oh, sorry, zeg ik, en ga rechtop zitten. Je hebt me wat gedeukt, zegt ze nog en Waarom zit je niet naast me, hier en ze knikt naar het kussen. Ik ga zitten tegen het hoofdeinde, het kussen achter mijn rug, benen op bed, ik luister naar de relaxerende pianomuziek die op het tafeltje in de kamer ligt en kijk naar het oranje geflakker van de kaars op de wanden van de kamer. Ik zie dat zij ook kijkt. Met haar vinger volgt ze het gedans van de vlam. Wat krijg je als je geel en oranje mengt, vraagt ze. – Lichtoranje. – En wat krijg je als je oranje met roze mengt? – Speciaal oranje. – Een beetje zoals die stift? Ik zeg ja voor het gemak. 

En dan wil ze nog weten waarom de vlam zo beweegt, dus dat leg ik maar even kort uit en ik zal voor de zoveelste keer tegen de man zeggen dat het raam dicht moet als de nacht begint, en dus niet alleen omdat het kind niet op de tocht zou liggen, maar dus ook omdat het kind dan geen vragen kan stellen over de wind die zorgt voor wapperende vlammen van kaarsen die wij in een poging om slaap op te wekken mee nemen naar boven.

Ze draait zich om, duwt tegen mijn been. Ik ga op een stoel naast het bed zitten. Ze vindt het goed. Je bent mijn echte liefste mama, zegt ze, ik hou van jou. – Ik hou ook van jou, zeg ik, voor altijd. – Ja. – Doe nu maar je ogen dicht, zeg ik. En ze doet het. De ogen gaan dicht. En dan weer open. En dan weer dicht. En dicht. En dat is het. Ze slaapt. Haar arm over een knuffel, haar hand zacht op zijn snoet. Ze slaapt. Ik zit in het oranje licht, met de relaxerende pianomuziek binnen handbereik, ik buig naar voren in het donker, kijk naar haar gezicht, de vlecht nog in haar haar, de oogleden – rustend – met de lange wimpers, de warme wangen, mijn kind. Mijn eerste kind. Mijn eerste, mooiste wat ik ooit zag. Hoe is het mogelijk? Met de walsende vlam in oranje steen in mijn hand, de relaxerende pianomuziek weer in het zakje van mijn pyjama en een kartonnetje waarop ik stiekem wat heb zitten schrijven, ga ik de kamer uit en zachtjes, nog eventjes naar beneden, om daar met een zachte badjas aan, gewoon, eventjes gezellig, eventjes een kleine tekst te schrijven. 

De loterij en daarna een toetje

Beste lezer, 

Een paar dagen geleden kondigde ik aan dat ik een verhaal op maat zou weggeven en als jij dat wel iets vond, dan kon je me een berichtje sturen. Ik vond het zo leuk te merken wie deelnam, wie ik kende en wie niet of nauwelijks, van wie ik al lang niets had gehoord en nu ineens wel of van wie ik nooit had gedacht dat die  … Toen jouw naam binnen kwam, fantaseerde ik alvast over wat ik zou schrijven als jij geloot zou worden. Soms had ik al een eerste zin of een grapje of een vraag. Soms had je zelf al wat en kreeg ik met de naam al een verzoek, iets over een reis of een kinderwens of een droom of een leven in een ander land. 

Toen de wedstrijd was afgelopen, leek het me wel leuk om na het avondeten met z’n allen rond de tafel van namenloterij te spelen. Om het eettempo dat hier doorgaans zeer laag ligt wat op te drijven, vertelde ik met veel bombarie over hoe de loterij zou verlopen. Dat ik de hele tafel leeg zou maken en dan op een groot blad alle namen zou schrijven met mijn pen en dan uit de knutselkast een schaar zou halen en dat de grootste muis dan de knipper van dienst zou zijn en dat zij in de keuken een pot zou mogen kiezen voor alle briefjes en dat ze dan mag schudden aan die pot en zo en dat de kleinste muis dan met een speeltje zou mogen rammelen om het startsein te geven en dat de man het hele tafereel dan zou vastleggen op foto. Toen het dan eindelijk zo ver was, toonde de kleinste muis weinig interesse en is de man met haar in de draagdoek naar buiten vertrokken. Terwijl ik de schaar zocht in de kast hoorde ik haar schreeuwen ergens op het einde van de straat. De grootste muis zat glunderend klaar aan het hoofd van de tafel, vroeg nog om een toetje, maar was bereid daar op te wachten tot na de loterij. 

Ik wil het op mijn manier doen, zei ze. Ze knipte de namen uit, maakte de hoekjes van de briefjes rond, knipte soms twee namen samen uit, zo stonden dan een halve Arne en een halve Mariska samen op één klein briefje. Het duurde lang. Ik schreef de namen opnieuw, knipte uiteindelijk mijn eigen briefjes, plooide ze dubbel en nog eens dubbel, telde ze en deed ze in een pot, telde ze voor de zekerheid nog een keer, merkte dat er eentje ontbrak, zocht samen met de muis tussen de broodkorsten op de grond, vouwde alle briefjes open en nog eens open, legde ze onder elkaar op tafel, las alle namen, legde ze naast de berichten en mailtjes en zag dat Tina ontbrak. Ik schreef en knipte Tina, vouwde haar twee maal dubbel en stak haar in de pot.

Enkele dagen later zagen we Tina trouwens lopen in het dorp, met haar rieten mand. Wie is die mevrouw, vroeg de muis. Ik zei dat dat Tina was. Tina, zei ze, ik vind dat een rare naam. Ja, vind je dat?, vroeg ik. Of nee, antwoordde ze, eigenlijk niet, ik vind dat een leuke naam. Tina, zei ze, en nog een keer: Tina. 

De muis stopte haar hand in de pot, zei nog even dat ze wilde dat Antine zou winnen, maar was ook blij toen het iemand anders bleek te zijn.

De winnaar weet er ondertussen van en zal me binnenkort vertellen wat ze wil, waarover en voor wie. En als ze zelf niets kan verzinnen dan weet ik wel wat. Dan denk ik dat ik ga schrijven over die keer dat ze mijn kind op een avond zogenaamd per ongeluk een ijsje vol suiker gaf en dat wij daarna urenlang drama’s hebben beleefd met het kind dat alles wilde behalve slapen of ik schrijf over hoe ze een jaar geleden van haar fiets is gevallen en daar lag op de grond en niet recht kon komen en schreeuwde tegen een achteruitrijdende bus STOP!! of ik schrijf iets over dat rode shirt met lange mouwen dat nu al drie dagen aan het wasrekje buiten bij haar huis hangt. Maar ik wacht dat dus nog even af, want misschien heeft ze zelf een goed idee. 

En jij? Niet gewonnen, maar toch een beetje gewonnen voor het idee? Dan maak ik voor jou een verhaal op maat. Ik kan met details, maar ook met flarden aan de slag. 

Ik ga hier dus een verhaal weggeven.

Gisteren om 22u39 heb ik mijn blog met de betaling van €18 in leven gehouden. Ik kreeg eerst maandelijks, daarna wekelijks en de laatste dagen dagelijks het bericht dat ik actie moest ondernemen wilde ik mijn domein – mijn plein – mijn plek – mijn stek – mijn stokkering van zinnen niet verliezen. In mijn mailbox stapelde zich een heuse countdown op … will expire in 6 days, will expire in 5 days, in 4 days, 3 days … maar ik was op tijd.

Op mijn blog post ik met zekere onregelmaat korte verhalen die ik niet ver zoek. Ik ben nu al twee jaar eigenaar van http://www.evelienborgonjon.com en zal dat het volgende jaar ook blijven.

En ik ga dat vieren! Ik ga een verhaal weggeven! 🎉 Ik ga schrijven. Op verzoek. Voor diegene die wint.

  • Ken ik je goed, nauwelijks of niet? Dan maak je kans!
  • Wil je een verhaal voor jezelf of om aan iemand te geven? Doe mee!
  • Heb je een droom, een ding, een herinnering, een wens, een angst of eigenlijk niet echt iets? Perfect! Ik maak er wat van.

Laat onder deze post weten dat je mee wil doen! Of stuur me een mailtje. Dinsdag 13 oktober laat ik een onschuldig handje de teerling werpen. Veel succes!

Mijn alaam

Hoe gaan we dat hier doen, jongens?

Gisterenochtend. Ik dacht, ik ga het gewoon even aan hen voorleggen, dus ik zeg: Jongens, ik voel me heel erg moe, we hebben vandaag een hele dag samen, maar ik ben zo moe, hoe gaan we dat doen?

Ze is stil, zit op haar knieën op het bed, denk na, ik heb mijn armen onder mijn hoofdkussen, kijk van dichtbij naar het gezicht van de baby. Dan zegt zij: Je moet gewoon sterk zijn en heel hard je kleren aandoen. En dan gaan we naar beneden voor een ontbijtje en dan neem jij haar in de draagdoek en ga ik fietsen, heel langzaam naast jou. Dan gaan we lang naar de speeltuin, dan lunchen, dan ga jij een uurtje slapen op de bank en dan gaan we weer spelen en dan avondeten. Zo. Dat is de dag die gaat komen.

Het is een beetje anders gegaan, maar ze zat er niet ver naast. We hebben ontbeten en zijn gaan wandelen, we hebben twee uur lang gedaan over vijf straten. Dat komt omdat het poppetje in haar wandelwagen twee keer moest eten. Zo stopte ze bij een bankje met uitzicht, gaf de pop sap en daarna melk, wachtte tot er een boertje kwam, noemde de pop schatje en lieverd. Ze liet me fluisteren zodat pop kon slapen. Ze liet me een nest zien in een boom, had ze ontdekt met oma. We gingen samen naar de bakker, kozen er brood en pistolets en taartjes met aardbei. Ze heeft een pistolet gegeten op het bankje buiten bij de bakker, gaf de pop ook weer te drinken. Mensen gingen naast het bankje staan, dachten dat we aan het wachten waren, maar nee, we hadden alles al en alle tijd. Ik sloot mijn ogen heel even op dat bankje, vroeg of ik even languit op de bank kon liggen slapen, ze zei nee. Zij zei mooie fiets tegen een oude knar met een mandje waar een man op klompen mee aan kwam rijden, de man zei niets, kocht zijn brood. Hij rende vervolgens op de straat met zijn handen aan het stuur, zijn klompen kletterden en hup, hij sprong de fiets op. We keken hem na. Wat later vond ze een steen, deed hem naast de pop in het wagentje. Ik zag beukennootjes, liet haar de hulsjes zien, klokjes die opengaan, zacht vanbinnen, ze voelde met een vingertje. Met een voet drukte ze een bolster open, legde de kleine kastanje naast de steen.

Thuis maakte ik twee dozen leeg. Wij hebben altijd dozen staan met van alles in. Zij en de baby zaten aan tafel te kijken naar wat ik tevoorschijn haalde: vijftien golfballen in doosjes per drie (wie ze wil mag me een bericht sturen), een voorraad post-its, logiblokken met de geur van oud plastic en basisschool, ze heeft er meer dan een uur mee gespeeld, fietslichtjes op batterijen, puzzels van de seizoenen en van brandweermannen (voor de kringloopwinkel) en tien bordjes met daarop de print van verschillende soorten camembert en brie (voor als we een keer een kaas- en wijnavond houden en de camembert en brie op bordjes willen leggen met een print van camembert en brie).

Het werd vrij snel avond. Het was een saaie dag, zei ze, voor we aan tafel gingen. Pfff. We hebben gewoon ontbeten, dan lunch gehad en nu gaan we avondeten. De man en ik keken naar elkaar en lachten. Ik stelde voor dat we dan morgen een keer niet zouden ontbijten, niet lunchen en geen avondeten zouden nemen. Dat vond ze geen goed idee, ze at en noemde het verrukkelijk, de baby sloeg bloemkool stuk op de tafel.

De man bracht de oudste naar bed, ik lag op de bank met de baby op mijn borst. Boven werd om een vierde verhaaltje gevraagd, ik hield een klein handje vast, zag door het raam hoe de lantaarn op straat aanging, het licht prikte, ik zou straks thee vragen aan de man en hem de gordijnen laten dichtdoen. Hij deed dat laatste eerst, haalde zo dat felle licht van mijn gezicht, zei dat ik maar niet naar links moest kijken, naar de aardappelen en bloemkool die overal lagen, en het speelgoed en de was en de spullen die ik ‘s middags uit de dozen had gehaald. Ik deed het toch, richtte mijn hoofd wat op en keek, deed alsof ik een hartaanval kreeg en liet me dramatisch weer zakken op de bank, de baby sliep verder. Draai eens op je zij, zei de man en wreef mijn nek in met olie. En dat was het. Dat was zo ongeveer de dag die was gekomen.