Een droom

Ik heb de voorbije nacht gedroomd dat ik weer studeerde, aan de universiteit, opnieuw iets met literatuur, ik had al drie weken les gemist, waarom was onduidelijk, groepswerk was al volop bezig. Een vriendin die ook de studie deed en trouw de lessen volgde, had drie extra hand-outs, ze gaf één ervan aan mij. Bedankt, Sanne. Ik stond in de binnentuin van het universiteitsgebouw naast keurig gesnoeide buxushagen. Het was in de Rhodestraat in Antwerpen, nabij gebouw R. Ik stond in een rij van studenten die onregelmatigheden vertoonden. We kwamen om de beurt voor een soort kansel van de prof te staan, een kansel … het was eigenlijk een houten krat dat omgekeerd op de grond stond en waarop de prof voorovergebogen over een hoge tafel op een lange lijst zocht naar onze namen, met een potlood plaatste hij kruisjes en gaf tips voor het toch nog kunnen vormen van een groepje samen met andere studenten. De prof was blond en mager en vriendelijk. Ik kwam hem later die dag op weg naar huis nog tegen. Hij zat op de fiets, had het houten krat op zijn bagagedrager gebonden met daarin een leren tas. We groetten elkaar. Het was in de Oosterstraat in Warffum, ter hoogte van de voormalige Fokkens, een zaak voor Dier, Tuin en Ruitersport die inmiddels is verhuisd naar de Juffer Marthastraat, ook wel de doorgaande weg genoemd of door een zeldzame dorpeling ook wel als de snelweg bestempeld.

De prof wees me fietsend en over zijn schouder pratend op een ruilboekenkastje vlakbij tussen de velden. Hij noemde de titel van een boek dat ik er zou moeten vinden. Ik botste even later al op het kastje. Het was eerder een kast dan een kastje, telde wel tien planken en was hoger dan ik. De zon scheen op mijn rug terwijl ik de titels op de ruggen van de boeken las. Helaas weet ik niet meer welk boek de prof me had aangeraden, maar ik heb het wel degelijk in het kastje zien staan. 

Nog wat later kwam ik aan bij het huis van een medestudente met wie ik nu een groepje vormde. We zouden aan de slag gaan, want we hadden wel wat in te halen. Ze woonde nog bij haar ouders. Het was in de Burgemeester Guillonlaan in Kortrijk. De oprit voor haar huis helde naar beneden, de garage lag onder het straatniveau. Ik liep op de grijze tegels, ze hadden van die ribbeltjes, om de snelheid wat te breken. Ik klopte op een deur in een witgeverfde poort en werd binnengelaten. In de garage hing aan twee rekken was te drogen. De kleren waren gewassen met Dash, dat rook ik meteen. 

En daarna werd ik badend in het zweet wakker. Nee. Haha. Daarna werd ik wakker, gewoon, met het eerste licht van de dag, met een beetje dorst en met iets van verlangen naar een verhaal dat een beetje nieuw is en vooral vertrouwd of toch vooral een beetje nieuw.

Een stille knuffel

Na het werk staat de man anderhalf uur in de keuken. Hij maakt verse pizza, snijdt groenten fijn, scheurt mozzarella, maakt kruidenolie. De baby die de hele middag niet had geslapen, dragen we tegen het vallen van de avond en op kousenvoeten naar boven. Het kind zit naast de tafel op de vloer, probeert sokken en sloffen, huilt omdat ze prikken en gooit ze grommend door de kamer. Ook de lichte, zachte klompjes die ik net had besteld, kletteren tegen de muur. Ze gilt, boven wordt de baby wakker. Ik haal de baby, het kind rent de trap op.

We horen wat vallen boven ons. Daarna wordt het rustig. Ik drink twee glazen water. De man telt het bestek. Het kind komt beneden in pyjama, draagt daaroverheen een dikke trui, sloffen aan de voeten. Ze glimlacht zacht. Ze trekt aan de schuifdeur, maakt zo de kamer groter en dan komt er weer een gil en vloeien de tranen, haar vinger zat ergens klem.

De man en ik zitten elk aan een kant van de tafel, hebben elk een snikkend kind op schoot, aaien elk met een hand een gloeiend gezichtje, nemen met de andere stukjes pizza van de plank, wiebelen heen en weer wanneer we met het rolmesje een verse punt afsnijden. Zo zitten we daar toch bijna tien minuten, denk ik. De pizza is heerlijk, zeg ik. De man zegt dank je. En dan gaan we naar boven.

In het donker lig ik met de baby op bed. Het kind fluistert in de deuropening, vraagt of ze nog een knuffel mag geven, een stille. Natuurlijk. Ze legt haar armen om mijn hals, zegt: vergeef me. Maar liefje toch, zeg ik, het is oké. Ze raakt met een vinger de wangetjes van de baby aan en zucht. Ik zeg nog: We gaan er samen wat op bedenken. Oké mam, zegt ze, alles, er is voor alles een oplossing. Welterusten …

En het is nog niet eens negen uur

Ik zit aan tafel met mijn jas nog aan en mijn sjaal nog om, ik drink de koffie waarvoor ik daarnet geen tijd meer had.

Ze is vijf jaar geworden, sliep deze ochtend wat langer, kreeg telefoontjes van opa en oma, tante en overgrootmoeder. Opa speelde piano, tante zong een lied en voor overgrootmoeder moesten we onze antwoorden twee tot drie keer herhalen. Van tante kreeg ze een draagzak voor de poppen – die pakten we voor de camera uit – handgemaakt en in de zachtste stof, er staat ergens aan de zijkant een heel klein sterretje op. Ze wees het aan en .

Ze maakte de kaartjes open, beschreef de plaatjes en liet ons de teksten voorlezen. Ze herhaalde de namen van onze vrienden alsof het de hare zijn. Jákob en Nele. Waaw.

De blauwe jurk met bloemetjes hebben we gisteren klaargelegd, het randje ervan krult nog steeds naar boven, ook al ging de man er deze ochtend nog eens met het strijkijzer overheen. Ze wilde niet ontbijten, at toch één boterham en dronk wat water. Op tafel staan nog pakjes, die maakt ze straks open. Ze ging nog even naar de wc, zat daar voor zichzelf een verhaal te vertellen. Dan ging de jas aan. En de draagzak om. Poppetje Luuk is de gelukkige.

En toen hadden we nog drie minuten om naar school te gaan. We gingen naar buiten, ik droeg de mand met traktaties, de man zocht in huis nog naar een sjaal voor het kind, de baby hing tegen zijn borst, hoofdje naar achteren. Ze nam mijn hand vast: Ik ben precies nog vier en toch ben ik vijf. Ja. We stapten naar haar tweede volledige schooldag. Wil je een liedje voor me zingen? Jazeker. Een vader op de fiets zwaaide en zei: zó! De man kwam aangelopen met de sjaal, wapperend in zijn hand.

Het schoolplein was al leeg, maar jullie zijn nog niet te laat, zei de juf. Wat heb jij een mooie jurk aan, zei het kind, tegen de figuurtjes en de glinstering op de kledij van de juf. Een vriendje kwam gluren bij de deur, riep haar naam. Wij kregen een knuffel en ze stapte de klas in, met haar rugzakje, de sjaal eromheen gebonden, poppetje Luuk in de draagzak en haar mand vol slingers en traktaties.

We keken hoe ze in de klas bewoog, bij een troon ging staan en hoe de juf de draagzak losmaakte. De man keek me aan, we gaven elkaar een high five en stapten tussen de klimtoestellen en de hinkeltekeningen het schoolplein af.

Ik dacht: laten we een kleine, eenvoudige traditie introduceren

Wil je me dit verhaal horen voorlezen? Beluister het in De Tiny Podcast.

Het was de week van de Poëzie. En ergens in het begin van die week dacht ik bij de lunch: laten we een kleine, eenvoudige traditie introduceren. Dat ging zo: De man zet de laatste dingen op tafel, staat nog eens op voor een vork voor het ene kind en een slabbetje voor het andere. Hij giet verse soep in kommen en staat ook wat op tijd, over een klein half uur zal hij naar boven gaan voor een vergadering achter het scherm.

Op tafel liggen vijf dunne dichtbundels. Ik neem de bovenste; een rode met over de hele kaft verspreid glinsterende donkerrode stipjes. Ik blader naar het op een na laatste gedicht, laat daar het leeslint tussen de pagina’s vallen en zeg: Jongens, voor we gaan eten, ga ik een gedicht voorlezen. En ik kijk met opgetrokken wenkbrauwen, naar de man, het kind en de baby. De man zegt oké en frommelt een papieren broodzak open, haalt er een pistoletje uit. Ik kijk hem aan en wacht. Doe maar, doe maar, zeg hij en zet de tanden van het broodmes krakend in de korst. Dat gaat zo niet, zeg ik. Dat gaat wel, zegt de kleuter.

Ze springt van haar stoel af en kruipt in een lege kartonnen doos die daar zomaar naast de tafel staat te staan.

Kom maar aan tafel, zeg ik, ik ga een gedicht voorlezen.

Het kind in de doos, klapt de flappen boven haar hoofd dicht en speelt dat ze een baby is: whè-whè.

Ooooké, zeg ik, het gedícht kómt nú. 

Het kind stapt uit de doos en gaat weer zitten. Ik neem de bundel in één hand, probeer met de andere wat sfeer en spanning te brengen. Ik til een hand op tot naast mijn hoofd, zet duim en wijsvinger op mekaar, laat mijn hand zo enkele seconden hangen in de lucht en met het lezen van de eerste woorden sla ik met mijn hand zachtjes de maat.

Geef    me    je    jas.

Dan laat ik mijn hand zakken, buig voorover in de richting van het kind, articuleer traag en duidelijk, regel na regel, leg klemtonen die het gedicht wellicht niet alle eer aan doen, maar wel daar waar ik denk dat het kind ze wil, bij teddyberen en winterkleren. En bij zoen me tot ik warm word en zoen me tot ik spin.

Ik wil spelen, zegt het kind. We gaan eerst eten, zeggen wij. En ik herhaal:

Zoen me tot ik warm word.

Zoen me tot ik spin.

Tussen regel zes en zeven legt de man de baby op mijn schoot. De baby zoekt en vindt de borst en ook het boekje in mijn hand. Nee, schat, laat los.

De man draait een glazen potje open, prikt met een vorkje klettert naast de olijven. De kleuter zit weer in de kartonnen doos.

Zég, ‘t is wel de week van de poëzie, é! En ik heb ook honger, dus ik wil dat gedicht hier lezen en eten.

Er valt een stilte – en een mes, uit de hand van de man, kling, naast zijn bord. Ik leg de bundel met een zucht opzij, gebruik beide handen om de baby rechtop te zetten en haar te laten drinken. Dan neem ik de bundel weer vast en begin opnieuw: Geef me je jas van bont van teddyberen. Sla je arm om me heen en al je winterkleren. Ik zie in mijn ooghoek dat de man zo traag en stilletjes mogelijk op zijn pistolet aan het kauwen is. Zoen me tot ik warm word. Zoen me tot ik spin. Trek je eigen huid dan uit, stop mij eronder in.

Het kind kijkt mij aan, een broodkorst hangt op haar onderlip naar buiten, ik vind het eng, ze gaat van tafel, kruipt bij de man op schoot, drukt haar neus in zijn trui.

Hoezo, ik vind het eng? Het is totaal niet eng. Het is een gedicht van Bart Moeyaert en Bart Moeyaert schrijft geen enge gedichten. Integendeel. En dit gedicht is wel het liefste en lichtste, zachtste en zoetste, knuffeligste en knoezeligste gedicht van heel die bundel. Ik gooi het leeslint weg van tussen de pagina’s, het hangt slap naar beneden, raakt de boter. Ik sluit de bundel, gooi hem weer bovenop de rest.

Nee, zo is het niet gegaan, of toch niet helemaal. Er was wel het geritsel en gefrommel en het gekletter en gekraak, het gekorst en geknabbel, het gedrinken en gedozen

en het gedicht

Maar daarin was ik amper halverwege. Nog een keer proberen. Hier komt het.

Geef me je jas

van bont van teddyberen.

Sla je arm om me heen

en al je winterkleren.

Zoen me tot ik warm word.

Zoen me tot ik spin.

Trek je eigen huid dan uit,

Stop mij eronder in.

Sus me met je hartslag.

Wij ons wij ons wij ons.

Maak van dit veel te grote bed

een heel klein fort van dons.

Mooi, zegt de man. Mag ik nu pindakaas, zegt het kind. Ik drink mijn soep. Lauw. Ik krijg een knipoog van de man. Hij staat op, zijn overleg begint.

En de dag gaat verder, langs een pad door het bos, langs lijnen met krijt op de stoep, met een hand langs een rug en tenslotte langs de trap naar de nacht. Het kind rommelt in haar kamer de laatste dingen een plek, de baby bij me, een handje tegen mijn hals, de man laat badwater gaan. Ik kijk naar wat op mijn kastje ligt en ik straks kan gaan lezen.

Dan komt het kind nog even bij me, schuift blote voeten onder mijn benen, aait slapende zus. De man vult ook zijn plek op het bed. En dan zegt het kind: Slaap lekker en poewei, pauweisie, pauweisie-schatjes, jullie zijn poeweisie-schatjes, tot morgen.

Tot morgen, lief kind.

De titel van het gedicht van Bart Moeyaert is Siberië, verschenen in Verzamel de liefde, 2003.

Elke vrijdag schenkt De Tiny Podcast een poëziepauze, dan is iemand aan het woord over een voor hem bijzonder gedicht.

Het is allemaal niet simpel

We bleven ergens plakken en gingen naar huis toen het al donker was. Er lag sneeuw, we zetten sporen waar nog niemand had gestaan. Ze wilde een sneeuwballengevecht. Dat hield in dat ik standbeeldstil moest staan en met dichtgeknepen ogen stond te wachten tot een sneeuwbal van dichtbij tegen me aan werd gegooid. Ze gierde het uit. Toen ik in de aanval ging en een sneeuwbal tegen haar buik gooide, liet ze de sneeuw uit haar handen vallen en huilde luid en met open mond en haar hoofd in haar nek. Het was een kort, maar hevig moment, zo in het schemerlicht van een lantaarn in de verder verlaten en donkere straat. Ik stapte dichterbij, ging door de knieën en omhelsde haar.

In de volgende straat kwamen we bekenden tegen. Ze ging erachteraan met sneeuwballen, kreeg zelf een pak sneeuw in de nek, gaf geen kik, rende rond en veegde met blote handen sneeuw bijeen. Weet je, zei ze, mam en ik houden een gevecht en toen gooide mam een sneeuwbal tegen me aan, ik werd daar zó verdrietig van.

Het is ook allemaal niet simpel, hé, kind. Je hebt de tijd van je leven. We spelen. We lopen in het donker over straat, vinden paden vol verse sneeuw. We houden een sneeuwballengevecht, dat betekent dat iedereen mag gooien en dat iedereen geraakt kan worden. Maar dat is niet simpel, hé, kind?

Deze ochtend dansten we in de woonkamer, klapten in onze handen en wilden steeds dat ene vrolijke lied, opnieuw en opnieuw. En daarna zouden we naar buiten gaan en ik zei: Kom, let’s go, doe je laarzen aan. Ze ging wat spelen met een balletje. En ik zei het nog een keer: doe je laarzen aan en nog een keer en nog een keer en nog een keer en nog een keer en nog een keer en nog een keer. Ik stond te wachten met mijn jas en sjaal en muts en baby in dik pak en ik droeg nog even een kopje naar de keuken en kwam terug en zei ik zou het nu echt fijn vinden als je je laarzen aan doet en het werd warm en ik kreeg hoofdpijn. Doe je laarzen aan, zei ik, ze liet zich achterovervallen in de zetel, schreeuwde: nee! En toen schreeuwde ik: Laarzen aan, nu! En zij weer: Neeeeee!!

Ik heb toen de laarzen genomen, ze met een grote zwaai voor haar voeten neergegooid. Ze gilde – waaaaaaaaaaaaaaah – met beide armen in de lucht. De man denderde de trap af, kwam kijken wat zijn vrouwen deden, hielp haar in haar laarzen.

Pffffff. Het is ook allemaal niet simpel, hé, kind. Je hebt de tijd van je leven. We spelen. We dansen. We lopen over straat, hand in hand. Sorry, mam, van de woorden die ik zei en dat ik zo schreeuwde. Het is oké, schat. Sorry, kind, van de laarzen die ik door de kamer gooide en dat ik zo boos was en zo schreeuwde. Het is oké, mam.

Gedichtendag 2021, een gedicht

Een gedicht voor gedichtendag. Je kunt luisteren of lezen en daarna nog eens lezen of eerst luisteren en daarna nog lezen of eerst lezen en dan luisteren of luisteren en ondertussen ook lezen. Dat mag je zelf beslissen.

ik droomde de hele nacht in woorden

daar kwam geen beeld – nee – aan te pas

het is dan ook naar ik las

vandaag gedichtendag

dus alles met gedichten mag

en de pech is eigenlijk nu

dat ik vandaag gewoon moeten werken

terwijl ik voel dat dat niet klopt

ik droomde de hele nacht in woorden

in een ritme, met muziek

en heel af en toe in rijm

en gelukkig ook in wat herhaling

anders zou ik dit gedicht al lang vergeten zijn

en hier, bij het ontbijt

zie ik op de klok

gedichtendag is al zes uur bezig

en ik word me nu toch lezig

mijn vingers zoeken boeken

mijn ogen willen woord

en mijn hart wil gewoon vrijaf

om poëzie te lezen, ongestoord

maar ja, ik zei het al: ‘k moet werken

da’s weer een construct van het systeem

om me te doen vergeten, te verhinderen

dat ik ’t leven in een bundel neem

ik kan natuurlijk zelf wel wat bedenken:

zo om het uur een pauze 

voor ‘t lezen van een gedicht

of ik gebruik vandaag enkele rijm

in een mail of een bericht

en ik geef natuurlijk geld uit 

aan woorden op papier, 

ik koop online werk 

en laat dat leveren hier

ik kan mensen om leestips vragen

of zelf gedichten schrijven op het raam

ik was daar gisterenavond eigenlijk al mee begonnen, 

was met een voet al op een kruk gaan staan

tot ik besefte – zo ineens – hoe vuil mijn ruiten zijn

ik moet dus eerst een poetsdag voor de schone schijn

alvorens ik het raam vul, met woorden en witte stift

ik hou het voor het gemak dan maar

vandaag, bij pen en een mooi schrift.

Als iedereen slaapt

Misschien vind je het leuk om eens naar een verhaal van mij te luisteren in plaats van het te lezen? In De Tiny Podcast van 22 januari 2021 hoor je me dit verhaal voorlezen.

Aapje slaapt. Baby niet.

Kind, in de kamer hiernaast, slaapt ook niet. Heeft net het licht weer aangedaan, leest een boek. Kleine beer slaapt wel. Hondje ook. Poppetje Karel ook. Olifant ook. En ook grijze beer slaapt.

De man slaapt ook. Hij heeft zich de laatste tijd geforceerd. Dus hij slaapt. Ik snap dat.

Ik slaap niet. 

In de kamer waar nu het licht weer brandt zat ik een half uur geleden op mijn knieën voor te lezen met gebaren en met stemmetjes. De oudste luisterde woelend en draaiend bovenop het dekbed, vroeg af en toe naar een pagina terug. De jongstescharrelde ondertussen wat rond over de vloer, de sokken uitgetrapt, het pyjamabroekje afgezakt, voeten volledig verdwenen in de loshangende pijpjes. Ze trok wat boeken uit een rek, kroop in het bedje bij poppetje Karel, we hoorden een plankje kraken, poppetje Karel hing met zijn matrasje half op de grond. Het kind op bed veerde kwaad recht, haalde uit naar de baby. Ik hield haar tegen met een arm, greep de baby beet en duwde met een derde arm het plankje weer op zijn plek, ik streek de lakentjes glad. Oef, poppetje Karel heeft er niets van gemerkt. Het kind ging weer liggen. De baby klom op mijn schoot. Na twee verhalen ging het licht uit, bleef ik zitten op een stoel in het donker en nam de baby aan de borst. Met een voet streelde ik de rug van het liggende kind. Ze fluisterde nog wat tegen een knuffel en vroeg nog wat er nu eigenlijk met papa is. De baby werd wild, dus ik verliet zachtjes de kamer, zei dat ik straks weer zou komen piepen en ja, de deur mocht op een kier. 

Ik lig nu in mijn eigen bed. De baby bovenop me begint zwaar te worden, de adem klinkt als slaap, een beentje schopt nog wat.Vanuit de andere kamer fluistert het kind hard naar me. Iets over nóg een boek. Ik fluister hard terug van nee is nee en uiteindelijk van ja oké nog eentje dan. Ik zie nu in gedachten hoe het kind daar zit, op bed, het boek steunend tegen de opgetrokken knieën, bladerend, zachtjes zichzelf voorlezend, af en toe een slokje nemend van het glas naast het bed.

De baby is in slaap gevallen. De deur van de kamer hiernaast gaat open. Blote voeten komen mijn kant op: Mama, het boek is uit en ik kan echt niet slapen. Ik ga, met de baby op mijn borst, half rechtop zitten, kijk het kind in de deuropening met grote ogen aan, haal haar met een knik van mijn hoofd dichterbij. Ja, vraagt ze. En ik zeg: Schat, wéét je … dat kinderbedtijd al láng voorbij is? Weet je dat? Ze zegt niets, kijkt me met open mond aan, schudt van nee en gaat terug haar kamer in. Ik hou mijn adem in, laat de baby van me afglijden. Ik ruim wat kleren op bij het zwakke licht van een lampje. Als ik nog even bij het andere kind ga kijken, zie ik de man aan de voet van het bed met een hand op de lakens en een hand aan zijn hoofd. Hij ziet het zitten daar even te zitten, zegt hij. Zeker? Ja.

In-mij-versnelt-de-hartslag, de-tijd-is-aan-mijn-kant, mogelijks een magisch uur, ik voel vuur, de plannen in mijn hoofd cirkelen voorbij, ijveren om uitvoer. Ik snel naar beneden, veeg de grootste plakkerijen van de tafel en de vloer, zoek papier en pen, haal wat te drinken en te eten, schipper heen en weer tussen eerst berichtjes sturen of eerst wat schrijven en zelfs even tussen toch de was ophangen of speelgoed opruimen. Nee, dit-zijn-mijn-uren. Of beter. Dit-is-mijn-uur. Ik heb een uur. Want het is al laat en rond de klok van tien ligt doorgaans een grens die ik maar beter niet overschrijd. Maar ook dat valt te bezien. We zullen zien. Misschien ben ik straks wel zo op dreef, dat ik alles geef, zó voel dat ik leef …

Gisteren liep de avond zoals de avond vandaag. De rituelen. De duur. De druk. Ik heb toen enkele foto’s gemaakt van het moment waarop de kinderen eindelijk sliepen, en daarna ook nog wat foto’s van een volle tafel, een smerig fornuis, een gootsteen vol vuiligheid. En manden met natte was. Ik had op die foto’s wat korte teksten gezet over wat me – dacht ik – nog allemaal te doen stond in die late avonduren, terwijl iedereen sliep, de kat rond mijn been cirkelde en er uit een dampertje wat stoom met een rustgevend geurtje omhoog spoot. Ik schreef onder andere dat ik het fijn zou vinden mocht een vriendin nu voorstellen dat ik alles zou laten vallen en liggen, dat ik zou gaan slapen en dat zij de volgende dag zou komen helpen. Ik zou dan uiteraard voorstellen voor haar hetzelfde te doen. Overmorgen.

Ik heb dat altijd een heel mooi idee gevonden, in een soort beurtsysteem met een legertje vriendinnen voor elkaars deur staan om samen te doen wat er te doen valt: kleerkasten uitmesten, keukenkasten schoonmaken, koelkast legen, trappen stofzuigen, vloeren dweilen, was plooien … Het idee alleen al geeft me een enorm gevoel van tempo en vooruitgang. Maar ja. Het isnatuurlijk makkelijker den brol en de miserie van een ander op te ruimen dan die van jezelf. En zo’n leger vriendinnen met schortjes voor en bezems in de hand lossen op lange termijn niets op, maar het zou toch helpen – denk ik – om het hele huishouden even te resetten en een mens een nieuwe start te geven.

Goed. Ik deelde dus wat foto’s en wat verhaal op mijn sociale platformen. Met een schuursponsje in de hand stond ik af en toe even stil, leunde voorover op het aanrecht en las reacties. De eerste reactie was: Ik mis je. Verder kwamen er steunbetuigingen als Wat een zware dag! En Ik duim! En er volgde ook nog wat goeie wil in: Jammer dat je niet in de buurt woont en Morgen zal niet lukken, maar later wel. Bedankt, vriendinnen, echt. Ik zou jullie graag ontvangen, met open armen en ook voorstellen aan elkaar, jullie kennen mekaar niet, maar zouden een aardig legertje kunnen vormen. Ik zorg voor koffie en thee met iets lekkers. Verder hoef je ook geen doekjes of productjes mee te brengen. Die heb ik in overvloed en grotendeels nog in de verpakking.

verzameld in het karretje van poppetje Karel

We zijn nu dus 24 uur verder en er is hier in huis niet zo veel veranderd. Deze ochtend heb ik de twee kinderen in bad gedaan, de man is er even op een krukje komen bijzitten zodat ik kon douchen, daarna is hij weer gaan slapen, we hebben vredig ontbeten, ik heb op handen en voeten kaas en kruimels weggehaald vanonder tafel, ik heb het vuilnis bij de straat gezet, we hebben brood gehaald bij de bakker, we zijn gaan wandelen op het pad langs het spoor, zagen dat de werken die daar al een tijdje bezig waren, bijna zijn voltooid, in de hoopjes aarde langs het pad vonden we tussen steengruis en brokken beton ook wat gekleurde scherven, die hebben we verzameld in het karretje van poppetje Karel. Midden op het pad heb ik met openhangende jas de baby de borst gegeven en staan praten met een man uit het dorp. Hij had nieuwe wandelschoenen aan. Ik zag het. Ik heb soep gemaakt voor de slapende man en zorgde voor verse thee. Ik heb de vaatwasmachine leeggehaald en weer gevuld en weer leeggehaald en weer gevuld. Ik heb groenten gesneden en de baby weggeritstvan bij het kattenvoer en ik heb het kind kunnen overtuigen om na enkele filmpjes wat tekeningen te maken aan tafel. We hebben fruit gegeten, zijn nog wat dingen gaan halen in de winkel. Ik heb vier kaartjes geschreven voor het nieuwe jaar en die zijn ook op de bus gegaan, de baby heeft wat administratie uit mappen getrokken en over de vloer verspreid, ik heb gepraat met de buurman over zijn huis zonder tuin. Ik heb in twee delen een podcast beluisterd die in totaal 12 minuten duurt. Het ging over magische uren, uren tussen de bedrijven door, waarin je hoopt overzicht te scheppen en bergen te verzetten. Haha. 

Gisteren liep de avond zoals de avond vandaag en zoals de avonden die volgen. De rituelen. De duur. De druk. Alleen voelde het gisteren ellendiger, want ik zat er middenin en zag niets anders. 

En nu zie ik de rommel nog steeds en de vuiligheid en het geplak en de natte was moet misschien maar weer gewassen. En hoor ik daar niet een baby die wakker wordt en een kind dat niet kan slapen? Het is er allemaal. Maar vandaag voelt het toch wat anders. Want tussen toen en nu ben ik er een beetje van tussenuit gehaald. Want ik heb het gezegd en gedeeld. En het is opgevangen. En dus, dat scheelt.

‘k Was haast vergeten

Zeven jaar geleden woonde ik in Gent, ging ik met de auto naar de carwash en met mezelf naar de sauna en de schoonheidsspecialiste. De puist op mijn voorhoofd kreeg ze niet weg. Ik belde met camera naar een oudere vriend om te vragen hoe erg hij het er uit vond zien. Het zou geen problemen mogen geven, zei hij. Ik kookte twee dagen onafgebroken, had gemarineerde champignons, aardappeldauphinoise, lasagne met wintergroenten, tofusalade, een niet te versmaden notentaart, perenspeculooscake, mokkabrownie en heerlijke kaasjes in de koelkast. Ik had gestofzuigd en gedweild van boven tot beneden en zelfs de muren met een doekje afgewassen. Ik ben een bescheiden stereo-installatie gaan kopen en legde er op het kastje wat goeie cd’s naast. Die middag ging de bel en stond de man voor de deur, hij droeg een zwarte trui met rolkraag en een colbert, hij had een cadeau mee, maar ik weet nu even niet meer wat dat was. We dronken koffie uit het espresso-kannetje, gingen wandelen in een natuurdomein in de buurt, kozen voor elkaar een drankje uit in een café aan het water in de stad, wandelden naar huis in het donker, stonden daar in de kamer nog wat met elkaar te praten en verwonderd te wezen over hoe alles ging, ik deed het die avond ook nog bijna in mijn broek van het lachen. 

Vandaag heb ik wat opgeruimd in de kamer die eigenlijk de logeerkamer is, maar waar al maanden een tafel staat die wij delen om aan te werken, aan te vergaderen van achter een scherm of les te geven. Het is  doorheen de maanden een enorme bende geworden, zeker omdat ik bovenop de tafel die al vol papieren en boeken lag ook nog eens de in de badkamer en hal rondslingerende kleren heb gegooid. Ik ben er lang mee bezig geweest en het werd een beetje vervelend toen de man ontdekte dat ik vooral zijn spullen was gaan opruimen. Gelukkig is dat inmiddels redelijk uitgesproken. Ik wierp op dat dat per ongeluk was gegaan. Hij wilde nog beginnen over patronen en het focussen op andermans problemen in plaats van op die van mezelf, maar dat heb ik toch grotendeels kunnen verhinderen.

Onze oudste muis stak bij zo’n twaalf mensen in de buurt een kaartje in de bus. In de zomer moest ik haar nog optillen bij de brievenbus van een jarige buurjongen, nu kon ze overal bij, soms op de toppen van haar tenen. We liepen over straat en ik zei goeiemorgen tegen een man die met een ladder aan kwam lopen. Het was op dat moment half één, maar als je wat later opstaat in de vakantie voelt de middag vaak als ochtend. De man heeft het zoldertje aangepakt, vond in een doos een set linnen gordijnen en heeft die op een sensitief programma in de was gedaan. Niet dat we die hier nu ergens kunnen ophangen, maar ze zijn toch gewassen. De jongste muis heeft al haar luiers uit het pak getrokken en rond gegooid, ze heeft ook de schone was uit een krat gehaald en is er vervolgens zelf, met het hoofd eerst, ingetuimeld. Deze middag heb ik liggen slapen op de bank terwijl de oudste een filmpje keek en de kleinste met beenwarmers om in de draagzak tegen de borst van de wandelende man lag te slapen. Toen ik wakker werd, kwam hij me fruit in een schaaltje brengen en vroeg: Weet je het nog, zeven jaar geleden? Ik zei ja en vroeg welk cadeau hij toen voor me had meegebracht, maar hij wist het ook niet meer. Het waren geen bloemen, besloten we samen. De man wou me een knuffel geven, maar de oudste heeft hem afgepakt. 

En toen gingen we aan tafel. De man had een heerlijk soepje gemaakt van look, ui, gember, de steel en de bladeren van een broccoli, niet meer en niet minder, het was perfect. Ja, zei hij, sinds ik je ken. De oudste muis koos een broodje uit de schaal, legde een eitje op haar bord en nam de stroop. De man vroeg: Wat gaan we doen? Ze zei: Stroop op het ei. En tegen het ei in haar hand, zei ze: Let wel op voor het kuikentje.

We zongen tijdens het eten wat willekeurige frasen uit een hit van Doe Maar: 

liefde oh liefde, waar was jij toch al die tij-ie-ijd

‘k was haast vergeten, hoe ’t voelt om verliefd te zijn

Na het eten ben ik maar snel even de kleren gaan opvouwen die nog op onze werktafel in de logeerkamer lagen. De oudste muis zat ondertussen in bed en keek lang en traag naar de prenten in een groot boek. Toen ik bij haar ging zitten, haar voeten inwreef met zalf uit een pot die ze had klaargezet en ik op fluistertoon de nacht binnenbracht, kondigde ze aan dat ze nog wel drie boeken wilde. Het zijn er twee geworden. Het licht is daarna nog een aantal keer aan en uit gegaan, ze heeft nog wat gedronken, een beer een nieuwe plek gegeven, lakens van zich afgetrapt en gezegd dat ze erg van me houdt. En weet je hoeveel ik van papa en van Nora Lou hou? vroeg ze. Ik zei nee, maar wist dat ik weer het onderspit zou delven. Wel zeker 100 milliliter! Ik gaf haar een kus op haar voorhoofd, vroeg nog of ze lekker lag. Ze bleef maar draaien en keren en het licht aan en uit doen en omdat ik beneden de jongste wakker hoorde worden, ben ik de trap afgegaan en is de man bij de oudste gaan zitten. Na een paar minuten sliep ze. 

Ik krijg nu net een berichtje van de man. Of ik het horloge dat hij me op een foto doorstuurt, mooi vind. Het horloge heeft een naam; Queen. Ik moet voor 24u beslissen of ik het wil, want dan gaat hij naar bed. Doei.

Misschien weet ik nu ook al wat wij deze week gaan eten

Ze zong. ‘Een bos, een bos, een bos, het is een mooi bos, een bos, een bos, een bos, het is mijn bos. Ik mag niet te veel bellen anders schrik ik de dieren weg.’ En ik erachteraan. Met het bos in de longen. En de man en de kleinste muis zo’n honderd meter achter.

Ze maakte vaart op het pad en riep: ‘En als je paddenstoelen ziet dan zeg je stop, kom hier.’ Ik riep oké naar de trappende voeten.

(Oei ik moet nu even naar beneden snel een deken om mijn schouders ah hier dat babydekentje tegen de kou oké ik ga zo verder.)

Goed. De paddenstoelen, tjah, voor paddenstoelen is het niet meer het moment, maar ze zag ander moois in het bos. Drie blaadjes met een donkergroene rand en een steeds lichter wordend binnenste, van grijs naar zachtgroen naar bijna wit. En ze zag een kleine rode varen. Ik had hem ook al gezien. Ze remde, vroeg of ik de varen wilde plukken en ook nog wat jonge plantjes die in een groepje bij mekaar stonden. Ik deed alles in haar fietsmandje en zei dat we bij thuiskomst de plantjes zouden drogen. Maar bij thuiskomst heb ik blokken hout voor het haardvuur in een bak gelegd en aan de plantjes heb ik niet meer gedacht.

Maar daarnet dus wel! Vandaar dat ik even naar beneden liep. Ik heb de plantjes uit de fietsmand gehaald. Op het aanrecht in de keuken heb ik ze voorzichtig tussen krantenpapier gelegd. En nu liggen ze in dat krantenpapier tussen Jamie Oliver en Yotam Ottolenghi. Vroeger zouden ze tussen telefoonboeken hebben gelegen, maar die bestaan niet meer. Ik vroeg het deze middag nog aan mijn ouders, of ze nog telefoonboeken hebben. Maar nee, ze hebben ze nog niet zo lang geleden weggedaan. Dat dunne grijzige papier, overvol bedrukt, nauwelijks marge en witregel, en die inktgeur.

Trouwens, een geluk dat ik uit bed ben gegaan om die plantjes te drogen, want het licht brandde nog in de schuur. De mensen zouden zich wel eens kunnen afvragen wat wij een hele nacht in zo’n koude schuur zitten te doen. Of ze zouden ons verspillers en verkwisters kunnen noemen omdat wij daar al die uren het licht laten branden en dat zou toch wel spijtig zijn voor een gezin met een milieu-econoom aan het hoofd. Nu ja, het licht is uit. En bij Ottolenghi zag ik trouwens een tagliatelle met walnoot, salie en citroen. Dat zou deze week wel eens op het menu kunnen staan.