Over de maand mei

Het is de laatste dag van mei. De laatste dag van míjn maand. Ik heb dat altijd zo gevoeld, dat mei mijn maand is. Ik ben geboren in de maand mei en heel mei voelt als van mij. Dat slaat natuurlijk nauwelijks ergens op, maar al toen ik kind was, voelde die hele maand mei dichterbij dan alle andere maanden. Ik dacht in mei – wellicht gestimuleerd door spreuken op kalenderblaadjes – regelmatig aan jonge vogels in nesten, aan van klein naar groot gaan, aan loslaten en vliegen. Dat ging altijd gepaard met een tintelend soort verwachting. Een verwachting zonder woorden, zonder invulling, maar met een zekerheid van vervulling, van uitvoer. Ik heb het ook altijd al ontzettend fijn gevonden dat de maand mei eenendertig dagen en geen dertig dagen telt. Die extra dag voegde toe, vergrootte de kans op wat dan ook. Wat dan ook, maar wel iets positiefs.

De verjaardagskalender. Zodat een mens geen verjaardagen vergeet.

Nu de laatste dag van de maand is aangebroken, maak ik een balans op. Dat begon al enkele dagen geleden. Iets werd in kaart gebracht, iets werd opgesomd, iets werd nog gewild en geprobeerd, maar iets voelde ook de druk van het nakende einde van de maand. Dit klinkt – vind ik zelf – vrij gewichtig en ook niet erg concreet. Toch is het er. En het is er elke keer wanneer een maand zijn einde nadert. Alleen is het in de maand mei wat heviger, omdat, ik zei het al: de maand mei is van mij. Ja?

En nu is dus die laatste dag en ik noteer een rijtje diskwalificaties, zoals:

  • Ik was jarig begin mei en heb berichtjes en post gekregen, ik vond dat super en was verrast, verwonderd, verwarmd bij elkeen ervan. Heel wat mensen heb ik daarvoor nog niet eens bedankt. En dat knaagt. En dat is ook iets wat ik niet goed begrijp van mezelf en waarin ik ook maar geen doorbraak voor mekaar krijg. Ik stel me dan voor dat ik rustig ga zitten, alle attenties nog eens doorneem en dan ruim de tijd neem om iedereen afzonderlijk en op unieke wijze te bedanken. Dat gebeurt niet.
  • Heb ik eigenlijk wel iedereen bedankt die in februari en maart aandacht schonk aan de verjaardagen van mijn dochters, wellicht niet, nee. Hoe maak ik dat goed? Wat kan ik doen? De aandacht toen was zo overweldigend dat het oudste kind kaarten en pakjes verspreid over meer dan twee weken heeft geopend. Het was werkelijk aandoenlijk. Elke envelop opende ze met onze houten briefopener, ze probeerde zelf de boodschappen op de kaarten te ontcijferen en stalde ze stuk voor stuk uit op tafel. Cadeautjes bleven staan blinken tot ze weer wat aandacht had gevonden om er eentje te openen. Hartelijk dank aan al die gulle gevers. En ik vind het zo flets van mezelf dat ik daar nu nog mee kom. Maar dat is nog niet alles.
  • Wat kan ik doen aan al de verjaardagen die in mei voorbij zijn gekomen en waar ik niets mee heb gedaan, behalve eraan denken. Kan ik nu nog een rondje felicitaties uitdelen? En alsof dat nog niet genoeg is.
  • Wat moet ik eigenlijk met de kaarten voor nieuwjaar die hier stof liggen te vangen, de meeste zijn verstuurd, maar er liggen er hier toch nog een aantal blanco stof te vangen. Kan ik die nog versturen? Zou dat idioot of net charmant zijn? Ik slaap er nog een nachtje over, onderneem voorlopig geen actie.

Ik merk dat mijn gedachtes zich vooral concentreren rond het thema verjaardagen en rond wel of niet vergeten, aandacht geven, aandacht krijgen en bedanken. Over enkele uren begint juni. Mijn moeder is jarig op 2 juni. De post ligt hier naast me. Ik heb de kinders niet aan het knutselen, krassen of aanvankelijk schrijven gezet, er is dus nog niets van hun hand en iets van hun hand is wellicht datgene wat mijn moeder het grootste plezier zal doen.

Het is de laatste dag van mei. Het nestkastje dat vorige maand nog zo druk werd bezocht door een koppel koolmezen, zelfs nadat het een keer van de schutting was gedonderd is inmiddels door dat paartje in de steek gelaten. Ze hebben een betere plek gevonden, zei ik, en ik snap dat wel. Ik zou ook niet willen bouwen op een plek die neerstort. De man schenkt er weinig woorden aan, maar het stemt hem triest. Ik zie het. Ik zie het wanneer hij voor het keukenraam staat en naar dat zwarte gat in het houten huisje kijkt en verzucht: Hoe is dat nu toch mogelijk? Of op een avond zomaar midden in de week, wanneer hij met zijn keukenschort om en een houten lepel in de hand naar buiten staat te kijken en zegt: Ik had het toch wel heel mooi gevonden. Ja, zeg ik dan, dat was echt machtig geweest.

Het nestkastje waarin – ik heb toch maar even gekeken samen met het kleinste kind – een volmaakt nestje is gebouwd. Het nestje is vierkant. Het mos, de takjes, de haren … zijn tot in de hoekjes van het kastje gedrukt. Heel mooi.

Goh. Het is de laatste dag van de maand en ik voel zo’n urgentie om alle oneffenheden van de voorbije maand nog glad te strijken en iedereen te bedanken die zo aardig, zo poëtisch, zo kort en bondig, zo lang en breed, zo ingesproken berichtje, zo oprakelen van herinneringen was om mij op 3 mei of maximaal een dag later te feliciteren met mijn verjaardag en me voor die dag en voor alle dagen erna het beste te wensen. Bedankt. En ik ga toch maar even een rondje doen:

@V: Ik heb voor jou een kaartje liggen en ik ben het al tien keer kwijt geweest en ook nu weer, maar het komt wel weer. En ik zal het ook wel versturen, want de achterkant is al volgeschreven met wensen voor jou over vrucht en variatie, over kleurrijk leven en … Ach, je zal het wel lezen. Het is een kaartje met een foto van tomaten in alle mogelijke kleuren en vormen. De foto is gemaakt door Otto Kalkhoven, fotograaf hier uit het Groningse, fotograaf van al wat puur is.

@B: Voor jou wilde ik eigenlijk datzelfde kaartje als voor V. Dus ik ben op een vrijdagmiddag naar het tuincentrum hier in het dorp gegaan en heb daar nog een exemplaar uit het kaartendraaimolentje laten halen door mijn oudste kind. Dus voor jou ook het beeld van een enorme variatie aan alle mogelijke tomaten die jij in je kassen en met die eeuwige groene vingers van jou ongetwijfeld zult kweken en die je trots aan dochterlief en aan verse zoon zult laten zien. Je vrouw zal ze met alle liefde in stukken snijden en overgieten met een zelfgemaakte vinaigrette van kruiden uit de tuin.

@H: Je was jarig en je bent zwanger. Ik vond de combi van die twee een reden om met veel bombarie en detail een pakketje post samen te stellen en dat op te sturen naar dat land waar je woont, zo’n 800 kilometer hier vandaan. Ik had in de dagen voor je verjaardag ook wat grappige en lieve zinsnedes in mijn hoofd die ik dan neer zou schrijven. Daar heb jij natuurlijk niets aan. Sorry. Ik wens je ongelofelijk veel rust en vertrouwen bij al wat gaat gebeuren.

@ Mama: Alvast proficiat met je verjaardag. Ik heb een envelop met meerdere dingen erin, onder andere een opdracht. Leg alvast schaar en lijm klaar. Ik hoop dat de post op tijd komt. Als dat niet zo is, dan zal ik daar een draai aan geven en het zo uitleggen dat het lijkt alsof post.nl of B-post hun taken hebben verzuimd en mij geen enkele schuld treft.

@ MP: Toen ik kind was kwam ik eens bij je logeren. Je woonde toen nog in België. Je huis was zo gezellig, er waren bloemen, in vazen, op servetten, op lakens en kussens. En in de ochtend was er thee in een lieflijk kannetje met een ronde buik. Je kon er wat van. Later heb ik je bezocht in Zuid-Afrika. Je hebt me toen voor- en keerzijdes van het bestaan daar laten zien, ik heb toen voor het eerst mijn hart in mijn keel voelen kloppen. We hebben ook heel hard gelachen, je gierde en zei: Gij kieken! Nog van harte gefeliciteerd met je verjaardag. Ik kijk er naar uit je te zien, met of zonder bloemen.

@ M: De laatste keer dat wij jou zagen was het warm buiten, stapten we door de tuin met een opdracht. Bramen plukken. Jij weigerde bramen te eten, omdat je moeder je verteld had dat er in elke braam minimaal één minuscuul wit wormpje zit. We openden toen enkele bramen en ja, hoor. Witte kronkelende wormpjes. Je hebt er toen bijna voor gezorgd dat ik die dag mijn laatste braam had gegeten. Maar ik heb me eroverheen kunnen zetten. Je had trouwens van die hele lange, mooie, dunne benen. Precies zoals het hoort bij een meisje dat net dertien is geworden. Van harte gefeliciteerd, lieve M, je bent prachtig.

@ neef M: Je hebt dit jaar niets laten weten op mijn verjaardag. Daar wil ik even mee beginnen. Maar dat geeft niets, hoor. Je hebt me als kind geleerd dat je tegen kaka ook bruin ei kunt zeggen (meer bepaald in de formulering: ik heb daarnet drie bruine eieren gelegd) en daar ben ik je eeuwig dankbaar voor, mijn kinderen inmiddels ook. Ik hoorde trouwens dat je recent en op unieke wijze een huis hebt gekocht en dat vond ik geweldig nieuws. Ik wens niets anders dan dat je daar samen met L. heel erg gelukkig zult zijn.

Mocht je nu jarig zijn geweest in de maand mei, maar hierboven geen bericht hebben aangetroffen, dan heb ik je wellicht en bij uitzondering tijdig gefeliciteerd of het is een kwestie van willekeur. Er wonen namelijk ook nog een paar grote en kleine mensen in België, een aantal dames in Groningen en een bijna volledig gezin in Macedonië die allen jarig zijn in de maand mei en die ik om geen andere reden dan de willekeur … voila. En wat ook kan – en die kans is vrij groot – dat is dat een kaartje helaas verloren is gegaan tussen mijn huis en dat van jou of … het zal over enkele maanden aangetroffen worden in een postzak, begraven in een bos. Echt waar. Dat kan. Een paar jaar geleden is er zo’n verhaal opgedoken van drie postzakken die onder de grond lagen in een bos, men van de post vond het uiterst vervelend en vermoedde dat de zakken daar waren gedumpt door een overwerkte postbode. Ik ben trouwens vrij zeker dat de brieven en kaarten die in die zakken zitten en door mij zijn geschreven, niet op één hand zijn te tellen. Nog eentje.

@E: En verder. Is het mogelijk niet langer in termen van schuld te denken? Dat zou het leven lichter maken. En de hoofdpijn wellicht ook. Ik denk dat ik die vraag meeneem naar volgende maand. Een nieuwe maand. Een nieuwe maand vol mogelijkheden.

Een zeldzaam licht

De man brengt het oudste kind naar bed, gaat wanneer het slaapt naar beneden. Ik breng het jongste kind naar bed, ga wanneer het slaapt iets lezen, het was op de telefoon, heeft geen indruk gemaakt, ik verzamel boven lege glazen en een bordje van een boterham in de nacht.

Beneden hangt er zeldzaam licht. Ik kijk door het raam, geel en oranje duwen vanachter de wolken. De man komt binnen, ik zeg dat het licht toch wel echt bijzonder is, hé? Ja, zegt hij, en dat hij net van buiten komt, een regenboog ging zoeken. Er geen heeft gezien. Ik ga ook naar buiten.

Alle bomen zwart, hun donkere takken tegen de laatste lichte lucht. Wilde vleermuizen. En regendruppels die na de bui zijn blijven hangen, vallen van bladeren, van dakranden, in tonnen en op tegels, en op vaste tel in de verte op iets wat ik niet thuis kan brengen, helder en glanzend van aard.

Weer binnen haal ik wat uit een schaaltje naast de man, ik vraag: Hoe moeten we dit noemen, dit licht?, denk: Zeg alsjeblieft niet, magisch, want weten wij veel. En hij zegt: Ik weet het niet en neem toch eens gewoon je eigen bakje chips.

Hier is de avond gevallen en viel me nog wat op. Het lijkt wel een vogel met een triestig toetertje foeh foeh. Of een uil, zei de man. Of een duif, zei hij even later. Dat is nogal een verschil, zei ik. Toen gingen we naar binnen.

Een lijstje

Wij zijn onderweg naar een huisje aan zee. Rond een uur of twee rijden we de straat uit. De man had een uur of negen in gedachten gehad, maar dat bleek al gauw veel te optimistisch gerekend. Zijn timing deed ook helemaal geen recht aan wie ik ben en de tijd die ik nodig heb om zelfs zonder dralen de handelingen uit te voeren die simpelweg uitgevoerd moeten worden. Ik had de avond voordien al de slogan ingebracht: ik zal doen wat ik kan, niet wat jij kan. De slogan werd met stilte onthaald en is inmiddels al meermaals door mij gebruikt. En ik moet zeggen, ik voel me er prima bij.

Wij logeren dus enkele dagen in een huisje aan zee. In de dagen voor ons vertrek noemden we zo nu en dan iets wat we zeker niet mochten vergeten. Bouillonblokjes. Een gezelschapsspel. Laarzen. Inderdaad, zeiden we dan. Of: ja, daar had ik ook al aan gedacht.

Wat is het verschil tussen een koolmees en een pimpelmees, vraag ik in de auto. Het borstje, zegt de man, of het halsje. De verkleinwoorden leiden af. Waarom zeg je borstje, vraag ik. Omdat een mees toch een klein borstje heeft, zegt de man. Ik kijk door het raam, tel in een weiland twaalf wilgen op een rij.

Even later zeg ik: We zijn de strandspullen vergeten. De man zucht. Hoe is dat nu mogelijk?, vraagt hij. En de vlieger ook, zeg ik. Maar dat is toch niet normaal, zegt hij. Ik meen een punt te kunnen scoren in een ongezellige wedstrijd die ik voel ontstaan, door te zeggen dat ik in de loop van de week wel aan de vlieger heb gedácht. En ook aan de olijfolie, want die zijn we ook vergeten, schiet me net te binnen.

Halverwege de rit pauzeren we. We lopen wat rond op een parking en strekken onze armen en benen op een graspleintje. De kleinste rent heen en weer, plukt een madeliefje. Ik loop tussen de geparkeerde auto’s, zie in een auto een man achter het stuur zitten. Op de passagiersstoel staan kartonnen bakjes met frieten en kleine hapjes. Over de beide handen van de man zit een plastic zakje. Met in zijn ene hand een friet en in zijn andere hand een bakje mayonaise kijkt hij me aan.

Wanneer we weer in de auto zitten, schiet me te binnen dat we geen speelgoed mee hebben voor de kleinste, maar dan ook écht niéts. Behalve een knuffelaap en twee kleine boekjes. Ik begin te lachen, bedenk hoe we vrolijk kunnen doen met dat aapje en die twee boekjes. Kijk, schatje, hier is aapje, leuk aapje, hé, ga maar lekker spelen met aapje. Aapje. Aapje. Oh, kijk nu, aapje leest een boekje en nog een boekje. En dan is het gedaan, jammer, hé, jammer, hé, van aapje? We moeten nog meer dan twee uur rijden. Nederland is toch wel een lang land, zeg ik. En ik zie in gedachten een kaartje, met daarop Nederland en België en de Waddenzee en de Noordzee. In rode stippellijnen zie ik in vogelvlucht de afstand tussen ons huis en de plekken in Zeeland en Vlaanderen waar onze ouders wonen. Is dat eigenlijk wel slim, vraag ik, dat we zo ver zitten van alles en iedereen?

De man realiseert zich plots dat hij zijn viool is vergeten. Hij is er niet goed van. We zouden zijn ouders bezoeken en hij zou voor zijn moeder viool spelen. Zij zou dan zitten, met de handen in haar schoot, voor zich uit staren, zich wat herinneren en zachtjes zingen. Dat is niet fijn, zeg ik, en ik leg mijn hand op de schouder van de man.

We parkeren voor het huisje, halen de kofferbak leeg, trekken alle deuren open, kijken wat er wel en niet is. We schuiven de gordijnen opzij. Er is een tuin met een grote tafel, een bank, een kacheltje en een poortje dat je zo de duinen in trekt. Het is al laat en buiten is het koud. We zijn het koffiekannetje vergeten, zeg ik. Dat meen je niet, zegt de man. Als ik even later mijn pyjama aantrek, schiet me plots te binnen dat ik mijn elektrische tandenborstel met lege batterij in mijn tas heb gestopt, maar de oplader niet. Ik ga het meteen melden aan de man. Voor de volledigheid voeg ik eraan toe dat we ook de douchegel en shampoo zijn vergeten. De man reageert niet. Als ik zeg dat we ook de sojasaus thuis hebben laten staan, gaat hij naar de wc en daarna gaan we naar bed.

Ik lees nog wat, in een vogelgidsje dat ik in het huisje vond. Er staan zes soorten mezen in, waarvan de eerste twee in het rijtje de pimpelmees en de koolmees zijn. De koolmees heeft een olijfgroene rug en zwarte kop met witte wangen, staat er. En over de pimpelmees: blauw met geel geleurde mees. Zo staat het er echt: blauw met geel geleurde mees. Die mees is geel geleurd. Hij heeft zo geleurd dat hij er geel van ziet, helemaal geel geleurd, heeft hij zich. Zoals dat iemand zich blauw heeft geërgerd, heeft de pimpelmees zich geel geleurd. En terwijl de man de slaapkamer binnenkomt, veranker ik deze nieuw opgedane kennis: het blauwe kopje is van de pimpelmees. Ik leg het vogelgidsje aan de kant.

De volgende ochtend krijgen we bericht van de buren thuis. We zijn blijkbaar vergeten het kattenluik open te draaien, de kat heeft twee keer kaka op de keukenvloer gedaan. Het is opgeruimd, maar het stinkt nog wel een beetje, staat er in het berichtje van de buurman.

Naar een gedicht #1

De ochtend vraagt om adem en daden. En terwijl het huis nog slaapt, sluip ik naar buiten. Het is stil en koud en vol mogelijkheden. Weer in huis, scheur ik gisteren af en lees ik op de dag van vandaag het gedicht Naar alle vroegte van Frans Kuipers.

Frans Kuipers geprint op de kalender van Plint op 31 maart 2021

En dáárna ga ik zitten, kraak mijn ontbijt naar binnen en schrijf snel – voor alles ontwaakt en gaat beginnen – mijn eigen kalenderblaadje vol. Hier volgen de dichtregels die ik hanteerde:

1. Eerste strofe van het gedicht van Frans Kuipers overnemen.

2. Iets schrijven over de lucht.

3. Iets schrijven over schoeisel.

4. Ik en mijn vermijden

Evelien Borgonjon geprint op grootmoeders bordje met matze en pindakaas

En bij de G van richting hoorde ik een stemmetje roepen dat de dag begonnen is. De tijd die volgde vulde zich met onze regels; gezichten wassen, haren kammen en tanden poetsen, zeggen wat je eten wil, af en toe eens kijken op de klok en delen hoe laat het is.

Het zou nu zomaar kunnen gebeuren dat je denkt ook eens een gedicht te willen schrijven. Dan zou je in alle vroegte naar buiten kunnen gaan en zien wat er komt. Of je kunt bij valavond achterover hangen en zien wat er nog komt.

Heb je wat geschreven naar aanleiding van deze post, dan lees ik dat heel graag. Deel je gedicht gerust onder dit bericht of stuur me een mailtje.

De prinses en haar mama

Kijk, zeg ik, een walvis.

Nee, zegt zij, een hondensnoet.

We houden de sneetjes brood voor elkaars gezicht, draaien onze hoofden om de walvis en de hondensnoet te zien.

De man is voor dag en dauw naar het werk vertrokken. Hij stuurde me nog een bericht vanuit de auto over voorzichtige zon en wakker wordende velden.

Het kind huilde toen ze ontdekte dat de man naar het werk was. Er volgde een scène met kleren die néé en aan en uit werden getrokken. Haar kamer is de kleerkast van een prinses die weet wat ze niet wil. En nu gaan we ontbijten.

En daarna gaan we wandelen. Kijk, zeg ik, iemand snoeit takken in bomen met een snoeischaar op een lange stok.

Hoe dan, vraagt ze, en, mam, til me.

We lopen langs een huis met wel tien zaadbollen voor de vogels in één boom. De bollen wiegen in de wind. En de zaden in de netjes zijn gaan kiemen. Waarom staan déze bollen in bloei en die in onze tuin niet, vraagt het kind en we bedenken samen allerlei redenen. Deze bollen zijn misschien oud? De zon heeft er heel hard op geschenen? Iemand heeft ze water gegeven? En, vraagt ze, eten de vogels ervan als ze bloeien? Dat denk ik niet, zeg ik. Wat verder kijken we naar hoe kauwtjes graan wegpikken van tussen het gras. Twee mannen staan óp de molen in de museumtuin, ze tikken met hun vuisten tegen de wieken. Wat doen ze, vraagt het kind en ik verzin wat bij mekaar over kapotte wieken en houten plankjes en een systeempje dat werkt op wind.

Voila. Een zaadbol in bloei.

We gaan richting bakker. Mag ik alleen, vraagt het kind. Ja. En dan zeg ik wat we nodig hebben. Moet het in stukken of niet? Ja, gesneden. Ik wacht op de stoep, samen met de baby. Ik zie het kind klimmen op het randje bij de toonbank, handjes zetten tegen het glas, ik hoor haar heldere stemmetje: ons-shabbatbrood-en-een-desembrood-gesneden. En ze hangt boven de broodsnijmachine wanneer de bakkersvrouw er een hard bolletje in legt en op de groene knop drukt: hé kijk, het broodje danst. Ze praat ook met de bakker die er bij is komen staan. Ik hoor niet wat ze zeggen. Dit kan zij prima alleen, zegt de bakkersvrouw bij de deur en ze vertelt over haar zoon die alleen naar de slager ging, maar op een dag, met het zakje vlees in zijn handen, besloot met een vriendje te gaan voetballen. Moet je niet weer doen, heeft ze hem toen gezegd.

Gaan we nog naar een speeltuin, vraagt het kind. Ik zeg dat dat heel even kan, naar die in het tuintje bij het museumcafé. Ze buitelt over de rekstok: Kijk!

Ik zit op een trapje in de zon, schil een appel, deel stukjes uit aan de baby en het kind, snij wat dunne plakjes af voor mezelf. Ik kondig aan dat we gaan vertrekken. Néé! Ik wil eerst nog vier dingen tonen! En ze stapt naar haar podium; de rekstok. Ik ga er bij staan. Ze draait voorwaarts. Dat is één. Ze gooit een been over de stok, klautert er vervolgens over. Dat is twee. Ze draait voorwaarts, blijft hangen met handen op de grond. Dat is drie. Ze werkt zichzelf de stok op tot zitstand. Dat is vier. Oké, zeg ik, we gaan. Dan staat ze stil: Nee, nog één! En ik zie het gewoon aan haar dat er geen vijf in haar repertoire zit. Ze kijkt me aan en ik zie ze ondertussen wat verzinnen. Ze grijpt de stok met een hand vast. Ze kijkt. Ik kijk. Ze gooit een been naar achteren in de lucht, dat is het. We kijken elkaar aan. Mijn buik begint te lachen. En zij heeft het in de gaten dat ik het in de gaten heb dat zij geen idee heeft wat ze nu nog aan die stok kan staan doen. Ze houdt de stok met een hand vast, duwt haar lijf er zijwaarts langzaam, maar helemaal overheen, één been, met geplooide knie gaat wat ongewillig mee, het andere blijft steken, dan laat ze zich wat plomp richting aarde zakken en ja. Dat is vijf. Zo! zegt ze, lacht naar me, zet haar helm op en steekt me razendsnel voorbij met die loopfiets van haar. Mijn kind.

De ochtend was de wereld van een prinses die weet wat ze wil. En nu gaan we lunchen.

Mijn eerste schooldag in maart

Ik was voor het eerst sinds maanden weer op mijn werk vandaag. Het voelde als een eerste schooldag en het was een beetje spannend. Ik verloor thuis al mijn personeelskaart, vond ze terug en verloor ze weer. Ik zocht lang naar mijn sleutels. Ik vergat de oplader van mijn laptop en kwam op het werk aan met een telefoon met lege batterij. Ik haalde chocolade uit de automaat, vrat die in één keer op. Ik haalde koffie die me niet erg smaakte, dronk er toch twee kopjes van. In de lade van mijn kastje lag nog een half pak muesli. Ik beantwoordde mails, maakte een planning, zocht papieren bij mekaar, haalde boeken uit de kast, aaide mijn muismat en stopte die in mijn tas. Ik zag dat vensterbanken waren leeggehaald en schoongemaakt, ik voelde dat mijn stoel was verwisseld met die van een ander, ik zag dat pennen en briefjes op tafels van collega’s er nog net zo lagen als in het vorige jaar en dat oude folders met gepasseerde programma’s nog lagen te blinken als nieuw. Ik zwaaide naar vertrouwde gezichten, stak mijn hoofd hier en daar binnen voor een praatje, groette mijn leidinggevende. Toen die zei dat ze me nog zou bellen, dacht ik: Oei, wat heb ik misdaan? 


 
Ik was er vandaag voor studenten die nog nooit in het gebouw waren geweest en elkaar en mij nog nooit in het echt hadden gezien. Samen met een vriendin die weet wat groepen in gewone en ongewone situaties nodig hebben, had ik een kort programmaatje gemaakt dat zij en ik bestempelden als positief, concreet en niet zweverig. En daar zat ik dan, in een lokaal met studenten die zeiden: zo, wat bent u lang, dat zie je zo niet op het scherm.  

En toen gingen we van start. En al snel hoorde ik studenten zeggen dat ze zich vandaag voor het eerst student voelden, dat ze waren verdwaald tussen gebouwen en van de pijlen naar links en rechts en naar hoekje om niets snapten, maar het heerlijk vonden. Er waren een paar studenten die gisteren nog een dip hadden door alle toestanden tegenwoordig, maar die vandaag leven voelden en zin hadden in meer. Ik zag studenten met rode hoofden van opwinding en ook eentje met tranen om iets wat op haar lippen lag en ze misschien later zal zeggen. Ik zag een student die wel drie keer opstond om te vertellen wat ze te bieden had en een student die bleef zitten en niet wist wat, maar uiteindelijk wel. Ik hoorde een studente zichzelf empatisch noemen en zag anderen die knikten omdat ze dat via het scherm al hadden gevoeld, er was er eentje die zichzelf een kritische vragensteller noemde en daar door de anderen voor werd bedankt, er was er eentje die zichzelf een doorzetter vond, maar zei dat hij het zonder dat ene telefoontje van die andere student al zou hebben opgegeven en …

Ik zag studenten die hun haar deze ochtend hadden gewassen, een lange bloemetjesjurk hadden aangetrokken, lekkers hadden meegenomen … voor deze dag waarop ze de muren van hun opleiding, elkaar en een stukje van zichzelf voor het eerst zouden ontmoeten.

Een droom

Ik heb de voorbije nacht gedroomd dat ik weer studeerde, aan de universiteit, opnieuw iets met literatuur, ik had al drie weken les gemist, waarom was onduidelijk, groepswerk was al volop bezig. Een vriendin die ook de studie deed en trouw de lessen volgde, had drie extra hand-outs, ze gaf één ervan aan mij. Bedankt, Sanne. Ik stond in de binnentuin van het universiteitsgebouw naast keurig gesnoeide buxushagen. Het was in de Rhodestraat in Antwerpen, nabij gebouw R. Ik stond in een rij van studenten die onregelmatigheden vertoonden. We kwamen om de beurt voor een soort kansel van de prof te staan, een kansel … het was eigenlijk een houten krat dat omgekeerd op de grond stond en waarop de prof voorovergebogen over een hoge tafel op een lange lijst zocht naar onze namen, met een potlood plaatste hij kruisjes en gaf tips voor het toch nog kunnen vormen van een groepje samen met andere studenten. De prof was blond en mager en vriendelijk. Ik kwam hem later die dag op weg naar huis nog tegen. Hij zat op de fiets, had het houten krat op zijn bagagedrager gebonden met daarin een leren tas. We groetten elkaar. Het was in de Oosterstraat in Warffum, ter hoogte van de voormalige Fokkens, een zaak voor Dier, Tuin en Ruitersport die inmiddels is verhuisd naar de Juffer Marthastraat, ook wel de doorgaande weg genoemd of door een zeldzame dorpeling ook wel als de snelweg bestempeld.

De prof wees me fietsend en over zijn schouder pratend op een ruilboekenkastje vlakbij tussen de velden. Hij noemde de titel van een boek dat ik er zou moeten vinden. Ik botste even later al op het kastje. Het was eerder een kast dan een kastje, telde wel tien planken en was hoger dan ik. De zon scheen op mijn rug terwijl ik de titels op de ruggen van de boeken las. Helaas weet ik niet meer welk boek de prof me had aangeraden, maar ik heb het wel degelijk in het kastje zien staan. 

Nog wat later kwam ik aan bij het huis van een medestudente met wie ik nu een groepje vormde. We zouden aan de slag gaan, want we hadden wel wat in te halen. Ze woonde nog bij haar ouders. Het was in de Burgemeester Guillonlaan in Kortrijk. De oprit voor haar huis helde naar beneden, de garage lag onder het straatniveau. Ik liep op de grijze tegels, ze hadden van die ribbeltjes, om de snelheid wat te breken. Ik klopte op een deur in een witgeverfde poort en werd binnengelaten. In de garage hing aan twee rekken was te drogen. De kleren waren gewassen met Dash, dat rook ik meteen. 

En daarna werd ik badend in het zweet wakker. Nee. Haha. Daarna werd ik wakker, gewoon, met het eerste licht van de dag, met een beetje dorst en met iets van verlangen naar een verhaal dat een beetje nieuw is en vooral vertrouwd of toch vooral een beetje nieuw.

Een stille knuffel

Na het werk staat de man anderhalf uur in de keuken. Hij maakt verse pizza, snijdt groenten fijn, scheurt mozzarella, maakt kruidenolie. De baby die de hele middag niet had geslapen, dragen we tegen het vallen van de avond en op kousenvoeten naar boven. Het kind zit naast de tafel op de vloer, probeert sokken en sloffen, huilt omdat ze prikken en gooit ze grommend door de kamer. Ook de lichte, zachte klompjes die ik net had besteld, kletteren tegen de muur. Ze gilt, boven wordt de baby wakker. Ik haal de baby, het kind rent de trap op.

We horen wat vallen boven ons. Daarna wordt het rustig. Ik drink twee glazen water. De man telt het bestek. Het kind komt beneden in pyjama, draagt daaroverheen een dikke trui, sloffen aan de voeten. Ze glimlacht zacht. Ze trekt aan de schuifdeur, maakt zo de kamer groter en dan komt er weer een gil en vloeien de tranen, haar vinger zat ergens klem.

De man en ik zitten elk aan een kant van de tafel, hebben elk een snikkend kind op schoot, aaien elk met een hand een gloeiend gezichtje, nemen met de andere stukjes pizza van de plank, wiebelen heen en weer wanneer we met het rolmesje een verse punt afsnijden. Zo zitten we daar toch bijna tien minuten, denk ik. De pizza is heerlijk, zeg ik. De man zegt dank je. En dan gaan we naar boven.

In het donker lig ik met de baby op bed. Het kind fluistert in de deuropening, vraagt of ze nog een knuffel mag geven, een stille. Natuurlijk. Ze legt haar armen om mijn hals, zegt: vergeef me. Maar liefje toch, zeg ik, het is oké. Ze raakt met een vinger de wangetjes van de baby aan en zucht. Ik zeg nog: We gaan er samen wat op bedenken. Oké mam, zegt ze, alles, er is voor alles een oplossing. Welterusten …

En het is nog niet eens negen uur

Ik zit aan tafel met mijn jas nog aan en mijn sjaal nog om, ik drink de koffie waarvoor ik daarnet geen tijd meer had.

Ze is vijf jaar geworden, sliep deze ochtend wat langer, kreeg telefoontjes van opa en oma, tante en overgrootmoeder. Opa speelde piano, tante zong een lied en voor overgrootmoeder moesten we onze antwoorden twee tot drie keer herhalen. Van tante kreeg ze een draagzak voor de poppen – die pakten we voor de camera uit – handgemaakt en in de zachtste stof, er staat ergens aan de zijkant een heel klein sterretje op. Ze wees het aan en .

Ze maakte de kaartjes open, beschreef de plaatjes en liet ons de teksten voorlezen. Ze herhaalde de namen van onze vrienden alsof het de hare zijn. Jákob en Nele. Waaw.

De blauwe jurk met bloemetjes hebben we gisteren klaargelegd, het randje ervan krult nog steeds naar boven, ook al ging de man er deze ochtend nog eens met het strijkijzer overheen. Ze wilde niet ontbijten, at toch één boterham en dronk wat water. Op tafel staan nog pakjes, die maakt ze straks open. Ze ging nog even naar de wc, zat daar voor zichzelf een verhaal te vertellen. Dan ging de jas aan. En de draagzak om. Poppetje Luuk is de gelukkige.

En toen hadden we nog drie minuten om naar school te gaan. We gingen naar buiten, ik droeg de mand met traktaties, de man zocht in huis nog naar een sjaal voor het kind, de baby hing tegen zijn borst, hoofdje naar achteren. Ze nam mijn hand vast: Ik ben precies nog vier en toch ben ik vijf. Ja. We stapten naar haar tweede volledige schooldag. Wil je een liedje voor me zingen? Jazeker. Een vader op de fiets zwaaide en zei: zó! De man kwam aangelopen met de sjaal, wapperend in zijn hand.

Het schoolplein was al leeg, maar jullie zijn nog niet te laat, zei de juf. Wat heb jij een mooie jurk aan, zei het kind, tegen de figuurtjes en de glinstering op de kledij van de juf. Een vriendje kwam gluren bij de deur, riep haar naam. Wij kregen een knuffel en ze stapte de klas in, met haar rugzakje, de sjaal eromheen gebonden, poppetje Luuk in de draagzak en haar mand vol slingers en traktaties.

We keken hoe ze in de klas bewoog, bij een troon ging staan en hoe de juf de draagzak losmaakte. De man keek me aan, we gaven elkaar een high five en stapten tussen de klimtoestellen en de hinkeltekeningen het schoolplein af.