Shana Tova

Gisterenavond, bij het ondergaan van de zon, wanneer de dag zich stil en onzichtbaar klaarmaakt in een nog slapende wereld, begon een nieuw jaar volgens de Joodse kalender. Rosj Hasjana. Hoofd van het jaar. Na dit feest beginnen de Tien Ontzagwekkende dagen, tien dagen van inkeer en reflectie. Tien dagen om sorry te zeggen en recht te maken wat krom is geslagen in het voorbije jaar. Tien dagen om terug thuis te komen.

Deze middag wandelde ik in het dorp met bekenden en onbekenden langs de huizen waarin zich heeft afgespeeld wat we niet kunnen kennen. Verhalen zonder woorden, enkel voelen en vrezen, niet weten. Verhalen met woorden, zinnen als Maak je nog een foto van ons gezin? En Maak je nog een warme muts voor de kindertjes want misschien is het daar koud? En Die zien we niet weer. …

Ik stond deze week op de stoep voor mijn eigen huis, zag in de straat mijn zachte vriendin met de grijze haren op handen en knieën kleine gedenkstenen poetsen. Ze kwam nadien in mijn keuken haar handen wassen, ik zeurde over een verstopte afvoer, we dronken thee in de kamer waar het ontbijt nog aan de tafel plakte en het kleinste kind het gesprek in stukken knipte met het kloppen van een houten popje op de vloer. Maar die steentjes, dus. Die struikelstenen, Stolpersteine, keurig gepoetst, ze glimmen zo. Deze middag kwamen stilte en slikken erop te liggen en keitjes.

Na een wandeling langs de stenen gaan we wat drinken in het museumcafé. Met de vrouw naast me praat ik over thuis en wat dat betekent. We knikken bij elkaars verhalen. Zij is in Londen geboren, woont vijftien jaar in Nederland. Dat is twee keer zo lang als ik. Sorry, zegt ze, ik kan je niet helpen. Het zal blijven. Je wortels zullen altijd trekken.

Dan gaat de schrijfster naar voren met haar handen vol A4. Tussen de gedrukte woorden heeft ze met pen nog wat geschrapt en geschreven. Misschien op de trein hierheen. Ze schetst hoe het kan zijn gegaan, hier in die tijd in dit dorp en op plekken vlakbij, hoe de mensen misschien hebben gedacht. Hoe wetend of onwetend. En dat ongemak en schaamte hier bij komen kijken.

Wat me altijd heeft gegrepen is hoe het huis en de haard van weggestuurde joden van de hand zijn gegaan. Ik lees in de brochure-vers-van-de-pers die nu naast me ligt een aankondiging van een openbare verkoop een paar jaar na de oorlog in een café hier in het dorp. Het gaat over de verkoop van het huis van de ‘afwezige’ van der Hal. Wie heeft het geld van de verkoop ontvangen? Werden het huis meteen afgesloten toen de bewoners moesten vertrekken? Is iemand binnen gegaan om te zien of er wat te halen viel? Is de inboedel verkocht op een plein, in een park? Er is nog zo veel te onderzoeken, zegt de schrijfster.

Ze laat een foto zien van haar naamgenoot en schrijver Benjamin Broekema. Hij werd uit Warffum weggevoerd omdat hij jood was. De foto toont een man, zittend middenin een kring met dorpsgenoten, middenin de mogelijkheden. De schrijfster praat over Benjamin Broekema als over een vriend, over hoe hij ’s avonds met zijn fiets thuis kwam van het werk, het pad naast zijn huis opreed, over wat hij wel niet zou hebben gedacht van al die elektrische fietsen die hem met een vaart voorbij zouden schieten, over hoe hij door de Folkingestraat in de stad zou hebben gelopen, links en rechts zwaaiend en groetend en …

Wanneer de middag afloopt zucht de zachte vriendin met de grijze haren naast me op een stoel dat de vakantie nu gaat beginnen. De stolpersteine zijn ingezegend, de levens zijn verhaald, de teksten zijn geschreven, de podcast is groeiend. Ze neemt de foto van Benjamin Broekema in haar handen, de man die wij allebei niet hebben gekend, maar wiens beeld een veelheid oproept die na deze middag niet meer in onze hoofden past. Wat maken wat tranen en zo ook weer wat ruimte. De man op de foto kijkt over zijn schouder de lens in. De camera heeft hem geroepen, in het middelpunt van de belangstelling geklikt. De schrijfster heeft deze foto in een lijst op haar werktafel staan, zegt ze. En ik denk: Op je werktafel, zoals je dat ook doet met een foto van je kind en je geliefde: het beeld van wat je het dierbaarst is als een drijfveer op je werkblad.

Benjamin Broekema – zo lees ik in de brochure-vers-van-de-pers – was een jaar ouder dan ik toen hij in Auschwitz werd vermoord. Ik kijk naar de klok. Het is nu half twaalf. En ik kijk in enkele seconden naar mijn leven dat zevenendertig jaren telt. Morgen gaat de wekker om zes uur. Ik zou nog wel wat verder willen lezen in de brochure hier naast me. En ik wil eigenlijk ook wel op zoek naar de weblink over joodse eigendommen die de schrijfster noemde en de notaris van wie ik de naam maar half heb onthouden; de notaris in de stad die zich in SS-uniform liet fotograferen en die verdiende aan de verkoop van enkele huizen hier in het dorp. Ik schenk nog wat thee in. Onze meisjes liggen boven, allebei in onze kamer. De grootste is daar een uur geleden heengeslopen met een kussen, een beer en weinig woorden. De kleinste werd er even wakker van, ging liggen bovenop mijn buik. De man kwam erbij zitten en we fluisterden in het schemerlicht over de dag. De kleinste bovenop me liet haar armpjes slap hangen, de vingertjes zacht op mijn armen. Ze zuchtte en zakte weg. De grootste zocht onder de lakens naar een goeie houding en een meer dan nabij. Kijk nu. Een slok water, de hand van de man op haar hoofd en een kus op een warme wang volstaan om haar slapende wereld weer in te gaan.

Zal die uitgebreide massage bij kaarslicht er dan eindelijk van komen?

Zon van een warme septemberdag in de haren, op de huid. Het avontuur van kinderen in bomen en handjes die brandnetels raken. Een verwilderde boomgaard, woeste bomen, losgeslagen appels, woekerende bramen, water vol kroos, uitbundige lelies en een lik van een hond niet aan de lijn.

De rugzak met lege doosjes noten-brood-kaas-komkommer-vijgen, drinkflessen tot de bodem gedronken staat nog in de keuken. De kinderen in slaap. En nu wij.

De mobiele massagetafel stond twee jaar klaar in de hal en staat nu opengevouwen in de woonkamer, kaarslicht, olie gemixt met etherische druppels lavendel en wierook. Er staat drinken klaar voor achteraf en er liggen dekentjes voor de warmte. Er is zoete muziek.

Dan start er in de achtertuin een soortement van schlagerfestival met krakende boxen en woorden die vibrerend twintig seconden duren. Boven wordt een kind krijsend wakker. In het kamertje hangt ‘Een woonboot aan de Amstel’ en ‘Ooh, Eleonora’ begint wanneer ik haar en haar betraande snikgezicht de trap afdraag. De man klemt haar tegen zich aan in een doek de straat over, ze krijst met gesloten ogen.

In de achtertuin kijk ik naar de laatste roze resten dag boven de boomkruinen. Zal ik de kaarsen laten branden? In een lauwe karaoke-versie klinkt het: ‘Een echte tijger is niet te temmen, je hoeft niet te proberen, ze is heulemaal van maaaaaai’.

Oh, u woont in Groningen?

De krekels in de bermen, een vleermuis rakelings, een uil in de verte en het vermoeden van regen. Thee van gedroogde vlierbloesem en een boek nog ongelezen.

Ik kijk naar het donkere natte gras, vraag me af wat morgen brengt en er komt nog wat voorbij van gisteren. Gisteren gingen we uit eten, raakten aan de praat met een tafel van acht. “Oh, u komt uit Groningen. Bent u dan boerin?” Ik nam het kleinste kind onder de arm, bekeek de vragensteller, hij leek het te menen. Of lachte hij me uit waar ik bij stond? Wat later ging het over restaurantjes in de buurt. En toen vroeg hij: “Eet u echt graag biologisch? Ik hou daar echt niet van.” Toen heb ik zwijgend mijn conclusie getrokken. Terug aan eigen tafel verzon ik aan een razend tempo de snedigste reacties, de vinnigste weerwoorden. We verslikten ons haast van het lachen, lieten proestend vorken vallen.

Bij vertrek keek ik de tafel van acht kort aan, wuifde met een slap handje en zei beleefd: goedenavond.

Een wandeling van vijf minuten en vijf gedachten

Klik op het onderstaande luisterfragment en wandel enkele honderden meters mee door het dorp.

Nog een ijsje

Het haventje. De schapen. De grote boom. Het avondlicht. De grijze wolken. Helder blauw erachter. Het houten stokje van het ijsje in mijn mond. Gekocht in het frietkot. Kon nog net voor de kassa afgesloten werd. Mijn grootvader die nooit al het ijs oplikte, omdat hij dat houten stokje niet wilde proeven. Kuj gij da verdroagn?

Zou hij ooit in Warffum zijn geraakt? Met zijn rolstoel? Mij hier hebben zien leven? Ik zou voor de gelegenheid die groene trui aantrekken die hij zo mooi vond, hij zei dat een keer, net voor hij zei: Ge hebt zo’n mooie lange vingers, juust gelijk mijn mama. Hij streelde ze.

Ik gooi het houten stokje in de vuilbak, ga zitten op het bankje bij de haven. Voorovergebogen met de ellebogen op mijn knieën. Het kleinste kind ligt op mijn rug in de draagdoek, zachte adem in mijn nek. Het licht trekt richting nacht. De zon valt niet meer op het water. De schapen stappen loom dichterbij, naar het hek. Er is verder niemand en er is geen zakdoek.

Iets doet ineens zo’n pijn. Een onmogelijkheid. En een scherpe weergave van die jonge vrouw en die grootvader. De geur van de koffie in de witte kopjes aan de ronde tafel, de geur van de krantjes, de folders en het metaal, het alaam dat er lag omdat hij het nodig had om het één of ander in mekaar te draaien. Hoe had hij mij in dit leven gezien: ’t Is aggelijk ver, hé? De mensen spreken ier wel vré Ollands. Verstaaj gij alles?

Mijn neus is verstopt en mijn telefoon heeft nog 1% batterij. Ik sta op van het bankje, voel het lijfje op mijn rug schuiven. Een jonge kerel op de fiets, ik had hem een paar jaar geleden in de klas, studie niet afgemaakt. Wanneer we elkaar kruisen in het dorp kijkt hij strak voor zich. Dat is toch nergens voor nodig? Ik wandel naar huis. Langs het huis met de hondjes. Langs de oude groene Mercedes met het vachtje op de achterbank.

Was het met een ovenschotel echt anders geweest?

Zus rijdt soms duizend uren van België helemaal naar ons einde van de wereld om dan hier een uur of vijf te zijn. Zoals die laatste keer. Het grootste kind zat ongeduldig tussen het onkruid op de stoep te wachten op de auto met een nummerplaat van rood en wit. Het was mooi weer en we konden buiten zitten in de tuin. De man had voor de gelegenheid wafels met suikerparels gehaald en na een hap of twee kregen zus en ik allebei rode, jeukende plekken in de hals. We hebben toen een grote kan thee leeggedronken en wijzend naar elkaar hals aangegeven of we de vlekken al zagen vertrekken.

We hebben ook gewandeld in het dorp, ik heb vijf keer gezegd: let op, hier ligt hondenstront. Ik had één koekje mee, dat werd verdeeld tussen het grootste en het kleinste kind. Zus nam het kleinste kind op de arm, wees paarse en gele bloemen aan, kreeg een nat koekje in de mond geduwd.

De bakker vergat het grootste kind een broodje te geven. Weer buiten rende het kind huilend voor ons uit, gooide zich op de grond en zei: het is gewoon een rotdag. Ze heeft nogal weinig geslapen, zei ik. Zus kreeg haar overeind met een loopwedstrijdje. Nadien kon het grootste kind niet meer op de benen staan en wurmde zichzelf in de wandelwagen bij de kleinste. De kleinste schroefde de dop van de waterfles, goot zichzelf en de omgeving nat. Het grootste kind was ontroostbaar.

Weer thuis had ik als verrassing voor zus asperges op het menu. Ze moesten nog geschild worden en zus vond dat tijdsverlies. Als iemand op bezoek komt en zo lang heeft gereden, dan zorg je voor een ovenmaaltijd, zei ze. Wat krijgen we nu, zei ik en ik ging asperges schillen. Even later brak zus één van onze mooiste koffiekopjes, verbrandde haar ene been. Het grootste kind huilde met diepe halen, ik ging boven een schone broek zoeken voor zus. Zus en ik wisselden nog wat recepten uit, reageerden allebei met: ik weet niet of ik dat ga maken.

Voor zus weer naar huis reed, wikkelde ik nog wat vers geplukte sla in een vochtige doek en stopte dat samen met wat asperges in een koelbox. We poseerden samen voor het huis, de buren maakte een foto en we huilden allebei wat bij het zwaaien.

Van harte gefeliciteerd met je verjaardag, zus, kom gauw nog een keer langs!

Mindmappen voor de toekomst

Ik had het er laatst nog over met een-vrouw-op-bezoek-hier-in-het-dorp. Dat er vaak zoveel ideeën hángende zijn. En óf je hebt geluk en ze blijven hangen tot je ervoor kunt zitten om ze te vangen en uit te werken. Óf en meestal hangen de ideeën even, vallen naar beneden en lossen op in wat zich dan toevallig voordoet. Een niesbui, bijvoorbeeld, en de zoektocht die eruit voortvloeit naar werkende middelen tegen hooikoorts. Of een idee raakt verloren tussen de was buiten aan de lijn in plots beginnende regen en het rennen en halen en gooien in manden met kleren en knijpers die kletteren in een bak. Of een gedachte valt samen met een val voorover over een verkeerd woord of zoals laatst, een slide van de rechtervoet over een aardbei op de houten vloer. En je schrikt van hoe het gladde rode moesje je zowaar een meter opzij heeft gekregen en je voelt toch wat in je rug en denkt: hoezo, de rug, zo oud ben ik toch niet? Maar twee dagen later voel je het nog.

Dus ja. Er was een idee, maar dat is dan met je gevallen, uitgeniesd, je in de rug geschoten of in de regen aan de draad blijven hangen.

En zo opperde een-vrouw-op-bezoek-hier-in-het-dorp dat je ideeën ook kunt registreren in een mindmap. Ja, zei ik en dacht aan van die vlakke woordspinnen die beginnen met een vraag zoals Waar denk jij aan bij het woord vakantie? En ze vertelde dat sommige mensen daar heel ver ingaan, complete kunstwerken van maken. Ja, dat kan ik me voorstellen, zei ik. Maar dan zou ik dus de grote lijnen noteren in een soort veld vol takken en vertakkingen en die dan later uitwerken. Ik zal het proberen, zei ik, zag het al voor me hoe ik aan tafel op grote vellen papier uitgebreide woordvelden zou aanleggen om mijn ideeën te bewaren voor tijden vol tijd. En dat de man dan even bij de tafel stil zou staan, zou vragen wat ik doe en dat ik dan zou zeggen: ik ben aan het mindmappen, een-vrouw-op-bezoek-hier-in-het-dorp heeft me dat aangeraden. En dan zou de man treurig zeggen: Maar dat heb ik je toch ook al aangeraden, mindmappen, jaren geleden zelfs? Inderdaad, zou ik zeggen. En hij dan weer: Maar ja, van mij neem je niets aan, van een ander wel. En dan zou ik als afsluiter van de conversatie zeggen: Dat klopt. En ik weet ook niet hoe dat komt. Sorry. En dan zou ik opstaan van tafel, iets te drinken halen en de rest van de avond mindmaps maken en me verzekerd voelen voor de toekomst. Ik zou wel een keer naar de man toegaan, die dan op de bank zou zitten lezen en zeggen: Weet je, ik moet gewoon dingen meerdere keren horen en dan pas neem ik het aan. Je hebt gewoon pech, dat jij de eerste bent die met iets komt. (Hier alvast mijn complimenten voor morgen, voor Vaderdag.)

Nu ga ik dus verder met het vangen van een idee in een mindmap. Het gaat over een totaal onverwacht gesprek dat ik deze avond had over bedreigde diersoorten zoals de soepschildpad, de schroefhoorngeit en de tangpantserjuffer. We zullen zien.

Over de maand mei

Het is de laatste dag van mei. De laatste dag van míjn maand. Ik heb dat altijd zo gevoeld, dat mei mijn maand is. Ik ben geboren in de maand mei en heel mei voelt als van mij. Dat slaat natuurlijk nauwelijks ergens op, maar al toen ik kind was, voelde die hele maand mei dichterbij dan alle andere maanden. Ik dacht in mei – wellicht gestimuleerd door spreuken op kalenderblaadjes – regelmatig aan jonge vogels in nesten, aan van klein naar groot gaan, aan loslaten en vliegen. Dat ging altijd gepaard met een tintelend soort verwachting. Een verwachting zonder woorden, zonder invulling, maar met een zekerheid van vervulling, van uitvoer. Ik heb het ook altijd al ontzettend fijn gevonden dat de maand mei eenendertig dagen en geen dertig dagen telt. Die extra dag voegde toe, vergrootte de kans op wat dan ook. Wat dan ook, maar wel iets positiefs.

De verjaardagskalender. Zodat een mens geen verjaardagen vergeet.

Nu de laatste dag van de maand is aangebroken, maak ik een balans op. Dat begon al enkele dagen geleden. Iets werd in kaart gebracht, iets werd opgesomd, iets werd nog gewild en geprobeerd, maar iets voelde ook de druk van het nakende einde van de maand. Dit klinkt – vind ik zelf – vrij gewichtig en ook niet erg concreet. Toch is het er. En het is er elke keer wanneer een maand zijn einde nadert. Alleen is het in de maand mei wat heviger, omdat, ik zei het al: de maand mei is van mij. Ja?

En nu is dus die laatste dag en ik noteer een rijtje diskwalificaties, zoals:

  • Ik was jarig begin mei en heb berichtjes en post gekregen, ik vond dat super en was verrast, verwonderd, verwarmd bij elkeen ervan. Heel wat mensen heb ik daarvoor nog niet eens bedankt. En dat knaagt. En dat is ook iets wat ik niet goed begrijp van mezelf en waarin ik ook maar geen doorbraak voor mekaar krijg. Ik stel me dan voor dat ik rustig ga zitten, alle attenties nog eens doorneem en dan ruim de tijd neem om iedereen afzonderlijk en op unieke wijze te bedanken. Dat gebeurt niet.
  • Heb ik eigenlijk wel iedereen bedankt die in februari en maart aandacht schonk aan de verjaardagen van mijn dochters, wellicht niet, nee. Hoe maak ik dat goed? Wat kan ik doen? De aandacht toen was zo overweldigend dat het oudste kind kaarten en pakjes verspreid over meer dan twee weken heeft geopend. Het was werkelijk aandoenlijk. Elke envelop opende ze met onze houten briefopener, ze probeerde zelf de boodschappen op de kaarten te ontcijferen en stalde ze stuk voor stuk uit op tafel. Cadeautjes bleven staan blinken tot ze weer wat aandacht had gevonden om er eentje te openen. Hartelijk dank aan al die gulle gevers. En ik vind het zo flets van mezelf dat ik daar nu nog mee kom. Maar dat is nog niet alles.
  • Wat kan ik doen aan al de verjaardagen die in mei voorbij zijn gekomen en waar ik niets mee heb gedaan, behalve eraan denken. Kan ik nu nog een rondje felicitaties uitdelen? En alsof dat nog niet genoeg is.
  • Wat moet ik eigenlijk met de kaarten voor nieuwjaar die hier stof liggen te vangen, de meeste zijn verstuurd, maar er liggen er hier toch nog een aantal blanco stof te vangen. Kan ik die nog versturen? Zou dat idioot of net charmant zijn? Ik slaap er nog een nachtje over, onderneem voorlopig geen actie.

Ik merk dat mijn gedachtes zich vooral concentreren rond het thema verjaardagen en rond wel of niet vergeten, aandacht geven, aandacht krijgen en bedanken. Over enkele uren begint juni. Mijn moeder is jarig op 2 juni. De post ligt hier naast me. Ik heb de kinders niet aan het knutselen, krassen of aanvankelijk schrijven gezet, er is dus nog niets van hun hand en iets van hun hand is wellicht datgene wat mijn moeder het grootste plezier zal doen.

Het is de laatste dag van mei. Het nestkastje dat vorige maand nog zo druk werd bezocht door een koppel koolmezen, zelfs nadat het een keer van de schutting was gedonderd is inmiddels door dat paartje in de steek gelaten. Ze hebben een betere plek gevonden, zei ik, en ik snap dat wel. Ik zou ook niet willen bouwen op een plek die neerstort. De man schenkt er weinig woorden aan, maar het stemt hem triest. Ik zie het. Ik zie het wanneer hij voor het keukenraam staat en naar dat zwarte gat in het houten huisje kijkt en verzucht: Hoe is dat nu toch mogelijk? Of op een avond zomaar midden in de week, wanneer hij met zijn keukenschort om en een houten lepel in de hand naar buiten staat te kijken en zegt: Ik had het toch wel heel mooi gevonden. Ja, zeg ik dan, dat was echt machtig geweest.

Het nestkastje waarin – ik heb toch maar even gekeken samen met het kleinste kind – een volmaakt nestje is gebouwd. Het nestje is vierkant. Het mos, de takjes, de haren … zijn tot in de hoekjes van het kastje gedrukt. Heel mooi.

Goh. Het is de laatste dag van de maand en ik voel zo’n urgentie om alle oneffenheden van de voorbije maand nog glad te strijken en iedereen te bedanken die zo aardig, zo poëtisch, zo kort en bondig, zo lang en breed, zo ingesproken berichtje, zo oprakelen van herinneringen was om mij op 3 mei of maximaal een dag later te feliciteren met mijn verjaardag en me voor die dag en voor alle dagen erna het beste te wensen. Bedankt. En ik ga toch maar even een rondje doen:

@V: Ik heb voor jou een kaartje liggen en ik ben het al tien keer kwijt geweest en ook nu weer, maar het komt wel weer. En ik zal het ook wel versturen, want de achterkant is al volgeschreven met wensen voor jou over vrucht en variatie, over kleurrijk leven en … Ach, je zal het wel lezen. Het is een kaartje met een foto van tomaten in alle mogelijke kleuren en vormen. De foto is gemaakt door Otto Kalkhoven, fotograaf hier uit het Groningse, fotograaf van al wat puur is.

@B: Voor jou wilde ik eigenlijk datzelfde kaartje als voor V. Dus ik ben op een vrijdagmiddag naar het tuincentrum hier in het dorp gegaan en heb daar nog een exemplaar uit het kaartendraaimolentje laten halen door mijn oudste kind. Dus voor jou ook het beeld van een enorme variatie aan alle mogelijke tomaten die jij in je kassen en met die eeuwige groene vingers van jou ongetwijfeld zult kweken en die je trots aan dochterlief en aan verse zoon zult laten zien. Je vrouw zal ze met alle liefde in stukken snijden en overgieten met een zelfgemaakte vinaigrette van kruiden uit de tuin.

@H: Je was jarig en je bent zwanger. Ik vond de combi van die twee een reden om met veel bombarie en detail een pakketje post samen te stellen en dat op te sturen naar dat land waar je woont, zo’n 800 kilometer hier vandaan. Ik had in de dagen voor je verjaardag ook wat grappige en lieve zinsnedes in mijn hoofd die ik dan neer zou schrijven. Daar heb jij natuurlijk niets aan. Sorry. Ik wens je ongelofelijk veel rust en vertrouwen bij al wat gaat gebeuren.

@ Mama: Alvast proficiat met je verjaardag. Ik heb een envelop met meerdere dingen erin, onder andere een opdracht. Leg alvast schaar en lijm klaar. Ik hoop dat de post op tijd komt. Als dat niet zo is, dan zal ik daar een draai aan geven en het zo uitleggen dat het lijkt alsof post.nl of B-post hun taken hebben verzuimd en mij geen enkele schuld treft.

@ MP: Toen ik kind was kwam ik eens bij je logeren. Je woonde toen nog in België. Je huis was zo gezellig, er waren bloemen, in vazen, op servetten, op lakens en kussens. En in de ochtend was er thee in een lieflijk kannetje met een ronde buik. Je kon er wat van. Later heb ik je bezocht in Zuid-Afrika. Je hebt me toen voor- en keerzijdes van het bestaan daar laten zien, ik heb toen voor het eerst mijn hart in mijn keel voelen kloppen. We hebben ook heel hard gelachen, je gierde en zei: Gij kieken! Nog van harte gefeliciteerd met je verjaardag. Ik kijk er naar uit je te zien, met of zonder bloemen.

@ M: De laatste keer dat wij jou zagen was het warm buiten, stapten we door de tuin met een opdracht. Bramen plukken. Jij weigerde bramen te eten, omdat je moeder je verteld had dat er in elke braam minimaal één minuscuul wit wormpje zit. We openden toen enkele bramen en ja, hoor. Witte kronkelende wormpjes. Je hebt er toen bijna voor gezorgd dat ik die dag mijn laatste braam had gegeten. Maar ik heb me eroverheen kunnen zetten. Je had trouwens van die hele lange, mooie, dunne benen. Precies zoals het hoort bij een meisje dat net dertien is geworden. Van harte gefeliciteerd, lieve M, je bent prachtig.

@ neef M: Je hebt dit jaar niets laten weten op mijn verjaardag. Daar wil ik even mee beginnen. Maar dat geeft niets, hoor. Je hebt me als kind geleerd dat je tegen kaka ook bruin ei kunt zeggen (meer bepaald in de formulering: ik heb daarnet drie bruine eieren gelegd) en daar ben ik je eeuwig dankbaar voor, mijn kinderen inmiddels ook. Ik hoorde trouwens dat je recent en op unieke wijze een huis hebt gekocht en dat vond ik geweldig nieuws. Ik wens niets anders dan dat je daar samen met L. heel erg gelukkig zult zijn.

Mocht je nu jarig zijn geweest in de maand mei, maar hierboven geen bericht hebben aangetroffen, dan heb ik je wellicht en bij uitzondering tijdig gefeliciteerd of het is een kwestie van willekeur. Er wonen namelijk ook nog een paar grote en kleine mensen in België, een aantal dames in Groningen en een bijna volledig gezin in Macedonië die allen jarig zijn in de maand mei en die ik om geen andere reden dan de willekeur … voila. En wat ook kan – en die kans is vrij groot – dat is dat een kaartje helaas verloren is gegaan tussen mijn huis en dat van jou of … het zal over enkele maanden aangetroffen worden in een postzak, begraven in een bos. Echt waar. Dat kan. Een paar jaar geleden is er zo’n verhaal opgedoken van drie postzakken die onder de grond lagen in een bos, men van de post vond het uiterst vervelend en vermoedde dat de zakken daar waren gedumpt door een overwerkte postbode. Ik ben trouwens vrij zeker dat de brieven en kaarten die in die zakken zitten en door mij zijn geschreven, niet op één hand zijn te tellen. Nog eentje.

@E: En verder. Is het mogelijk niet langer in termen van schuld te denken? Dat zou het leven lichter maken. En de hoofdpijn wellicht ook. Ik denk dat ik die vraag meeneem naar volgende maand. Een nieuwe maand. Een nieuwe maand vol mogelijkheden.

Een zeldzaam licht

De man brengt het oudste kind naar bed, gaat wanneer het slaapt naar beneden. Ik breng het jongste kind naar bed, ga wanneer het slaapt iets lezen, het was op de telefoon, heeft geen indruk gemaakt, ik verzamel boven lege glazen en een bordje van een boterham in de nacht.

Beneden hangt er zeldzaam licht. Ik kijk door het raam, geel en oranje duwen vanachter de wolken. De man komt binnen, ik zeg dat het licht toch wel echt bijzonder is, hé? Ja, zegt hij, en dat hij net van buiten komt, een regenboog ging zoeken. Er geen heeft gezien. Ik ga ook naar buiten.

Alle bomen zwart, hun donkere takken tegen de laatste lichte lucht. Wilde vleermuizen. En regendruppels die na de bui zijn blijven hangen, vallen van bladeren, van dakranden, in tonnen en op tegels, en op vaste tel in de verte op iets wat ik niet thuis kan brengen, helder en glanzend van aard.

Weer binnen haal ik wat uit een schaaltje naast de man, ik vraag: Hoe moeten we dit noemen, dit licht?, denk: Zeg alsjeblieft niet, magisch, want weten wij veel. En hij zegt: Ik weet het niet en neem toch eens gewoon je eigen bakje chips.

Hier is de avond gevallen en viel me nog wat op. Het lijkt wel een vogel met een triestig toetertje foeh foeh. Of een uil, zei de man. Of een duif, zei hij even later. Dat is nogal een verschil, zei ik. Toen gingen we naar binnen.

Een lijstje

Wij zijn onderweg naar een huisje aan zee. Rond een uur of twee rijden we de straat uit. De man had een uur of negen in gedachten gehad, maar dat bleek al gauw veel te optimistisch gerekend. Zijn timing deed ook helemaal geen recht aan wie ik ben en de tijd die ik nodig heb om zelfs zonder dralen de handelingen uit te voeren die simpelweg uitgevoerd moeten worden. Ik had de avond voordien al de slogan ingebracht: ik zal doen wat ik kan, niet wat jij kan. De slogan werd met stilte onthaald en is inmiddels al meermaals door mij gebruikt. En ik moet zeggen, ik voel me er prima bij.

Wij logeren dus enkele dagen in een huisje aan zee. In de dagen voor ons vertrek noemden we zo nu en dan iets wat we zeker niet mochten vergeten. Bouillonblokjes. Een gezelschapsspel. Laarzen. Inderdaad, zeiden we dan. Of: ja, daar had ik ook al aan gedacht.

Wat is het verschil tussen een koolmees en een pimpelmees, vraag ik in de auto. Het borstje, zegt de man, of het halsje. De verkleinwoorden leiden af. Waarom zeg je borstje, vraag ik. Omdat een mees toch een klein borstje heeft, zegt de man. Ik kijk door het raam, tel in een weiland twaalf wilgen op een rij.

Even later zeg ik: We zijn de strandspullen vergeten. De man zucht. Hoe is dat nu mogelijk?, vraagt hij. En de vlieger ook, zeg ik. Maar dat is toch niet normaal, zegt hij. Ik meen een punt te kunnen scoren in een ongezellige wedstrijd die ik voel ontstaan, door te zeggen dat ik in de loop van de week wel aan de vlieger heb gedácht. En ook aan de olijfolie, want die zijn we ook vergeten, schiet me net te binnen.

Halverwege de rit pauzeren we. We lopen wat rond op een parking en strekken onze armen en benen op een graspleintje. De kleinste rent heen en weer, plukt een madeliefje. Ik loop tussen de geparkeerde auto’s, zie in een auto een man achter het stuur zitten. Op de passagiersstoel staan kartonnen bakjes met frieten en kleine hapjes. Over de beide handen van de man zit een plastic zakje. Met in zijn ene hand een friet en in zijn andere hand een bakje mayonaise kijkt hij me aan.

Wanneer we weer in de auto zitten, schiet me te binnen dat we geen speelgoed mee hebben voor de kleinste, maar dan ook écht niéts. Behalve een knuffelaap en twee kleine boekjes. Ik begin te lachen, bedenk hoe we vrolijk kunnen doen met dat aapje en die twee boekjes. Kijk, schatje, hier is aapje, leuk aapje, hé, ga maar lekker spelen met aapje. Aapje. Aapje. Oh, kijk nu, aapje leest een boekje en nog een boekje. En dan is het gedaan, jammer, hé, jammer, hé, van aapje? We moeten nog meer dan twee uur rijden. Nederland is toch wel een lang land, zeg ik. En ik zie in gedachten een kaartje, met daarop Nederland en België en de Waddenzee en de Noordzee. In rode stippellijnen zie ik in vogelvlucht de afstand tussen ons huis en de plekken in Zeeland en Vlaanderen waar onze ouders wonen. Is dat eigenlijk wel slim, vraag ik, dat we zo ver zitten van alles en iedereen?

De man realiseert zich plots dat hij zijn viool is vergeten. Hij is er niet goed van. We zouden zijn ouders bezoeken en hij zou voor zijn moeder viool spelen. Zij zou dan zitten, met de handen in haar schoot, voor zich uit staren, zich wat herinneren en zachtjes zingen. Dat is niet fijn, zeg ik, en ik leg mijn hand op de schouder van de man.

We parkeren voor het huisje, halen de kofferbak leeg, trekken alle deuren open, kijken wat er wel en niet is. We schuiven de gordijnen opzij. Er is een tuin met een grote tafel, een bank, een kacheltje en een poortje dat je zo de duinen in trekt. Het is al laat en buiten is het koud. We zijn het koffiekannetje vergeten, zeg ik. Dat meen je niet, zegt de man. Als ik even later mijn pyjama aantrek, schiet me plots te binnen dat ik mijn elektrische tandenborstel met lege batterij in mijn tas heb gestopt, maar de oplader niet. Ik ga het meteen melden aan de man. Voor de volledigheid voeg ik eraan toe dat we ook de douchegel en shampoo zijn vergeten. De man reageert niet. Als ik zeg dat we ook de sojasaus thuis hebben laten staan, gaat hij naar de wc en daarna gaan we naar bed.

Ik lees nog wat, in een vogelgidsje dat ik in het huisje vond. Er staan zes soorten mezen in, waarvan de eerste twee in het rijtje de pimpelmees en de koolmees zijn. De koolmees heeft een olijfgroene rug en zwarte kop met witte wangen, staat er. En over de pimpelmees: blauw met geel geleurde mees. Zo staat het er echt: blauw met geel geleurde mees. Die mees is geel geleurd. Hij heeft zo geleurd dat hij er geel van ziet, helemaal geel geleurd, heeft hij zich. Zoals dat iemand zich blauw heeft geërgerd, heeft de pimpelmees zich geel geleurd. En terwijl de man de slaapkamer binnenkomt, veranker ik deze nieuw opgedane kennis: het blauwe kopje is van de pimpelmees. Ik leg het vogelgidsje aan de kant.

De volgende ochtend krijgen we bericht van de buren thuis. We zijn blijkbaar vergeten het kattenluik open te draaien, de kat heeft twee keer kaka op de keukenvloer gedaan. Het is opgeruimd, maar het stinkt nog wel een beetje, staat er in het berichtje van de buurman.