Een beetje vrede op een vrijdagavond

Wakame-komkommersalde. Boekweitnoodles. Zoete gemberdressing. Quinoa met boontjes. Sla met eigen kruidenzout. Gebakken aardappels met oregano. Makreel in olie. Worteltjes, rode en paarse tomaten. Gebakken pompoenpitten met hondsdraf. Ik heb me laten gaan. En telkens toen ik naar buiten keek en zag dat het goed was met het kleintje in bad verzon ik er nog een gerechtje bij.

Ik was met de afwas bezig, toen ze ergens een smerige dweil vandaan haalde en die het badje in trok. Even later haalde ze het koffiegruis tegen de slakken weg van bij de pompoenplanten en wreef zich er mee in. Een ruwe scrub voor het zachte lijfje. Ze lachte, straalde in de avondzon, kwam zich trots en korrelig bruin tonen in de keuken. Ik heb haar op een steen tussen de maïs gezet en met een kan schoon water overgoten.

De man en het oudste kind waren nog op de weg terug na zwemles. Ze zouden in een dorp vlakbij nog een Marktplaats-aanschaf halen waarover ik nu nog niets durf te zeggen.

Eten samen met één kind, onder de overkapping, vlakbij de tomatenplanten. Ik schotelde haar een bordje voor met van al wat ik maakte een klein beetje. Zegt ze: Heb je niet iets lekkers voor me? Zeker, zeg ik. Ik neem haar op schoot. Ze is moe, nestelt zich, het kleine warme, jong, gaat er zelfs bij liggen. Ik voer haar, vogeltje, met haartjes onderaan vochtig en opgekruld na ‘t badje. Ze smikkelt.

De man en het oudste kind komen thuis. De oudste bedient zichzelf, twee borden vol. Alleen de sla hoef ik niet, zegt ze, of eigenlijk wel, maar dan niet in mijn bord. Hoe moeten we dat dan regelen, vraag ik. In een bordje ernaast, zegt ze. Dat gaan we de volgende keer zo doen. Ze likt aan haar vinger, vist zo pompoenpitjes op. De man zit in de zetel naast de tafel, bord op schoot. Hij zegt niet veel. Ik zie dat het hem smaakt. De kleinste neemt het woord, vertelt over hoe we morgen de afloop van een incident zullen beleven, namelijk als volgt: De kaka, poef, in toilet, steentje uit de poep, klaar. Laat ons hopen dat het eruit komt, dat ronde glimmende steentje dat eigenlijk in een glazen bokaal voor de vissen hoort te liggen.

Ik voel dat de avond rustig gaat verlopen. Ik voel dat we allebei weten dat zij allebei weten dat ze moe zijn en dat er nu niets beter is dan een bed. Maar toch, het kan nog alle kanten op. Ze kunnen ineens nog op de bedden gaan springen, botsen, vallen, weigeren tanden te poetsen, een andere pyjama willen, weer een andere pyjama willen, elkaars knuffels afpakken, bijna in slaap vallen, plots opveren en naar beneden willen … de oudste gaat nog douchen, wast haren zonder meer. De jongste trekt de blaadjes van een blokje post-its los, laat zich gewillig optillen, zegt nog: Toe nou, mammie, ik wil zo graag nog spelen met de dingen van jou.

Ja, hé, zeg ik, en ze hangt tegen de man die haar tanden poetst. Ze ligt naast me in bed, drinkt een beetje, zucht en slaapt. De oudste zit nog midden in een verhaal, ik hoor de man geeuwen tijdens het voorlezen.

Beneden staan nog zakken vol gerief van de vakantie. De was hangt nog buiten. De buren zeggen tegen elkaar dat ze de planten gaan water geven. Moeten wij ook nog doen. De fietsen staan nog op de oprit. Het onkruid ook. We zijn al een week de brillen van de man kwijt en hij heeft ze nodig. Ik heb vandaag twee keer mijn telefoon gezocht en pas uren later gevonden. Één keer in een Tupperwaredoos onder een kookboek, één keer onder een houten plank onder een theedoek. Ik kon mij er niet druk in maken. Misschien komt dat door waar ik me in mijn cyclus bevind. Echt, serieus. Interessant. Pas op, morgen kan dat al weer anders zijn. Maar voor nu is het mooi meegenomen. Ik proef de gemberdressing op mijn lippen, op mijn arm waait zacht de slapende adem van de kleinste. Ik hoor de buren hun parasol dichtbinden, een lege gieter loopt vol.

Terug naar school

Vroeg opgestaan, rest zomervakantie op tafel gelegd, een lijn zand, een kring schelpen.

Niemand zin in dikke plakken brood, jam die op trage dagen lekker was, schuift heen en weer op tafel, want vies vandaag.

We willen weten, maar weten niet welk weer het wordt, willen niet te warm en niet te koud, wisselen combinaties uit van lange benen en korte mouwen, lange mouwen en korte benen, en sokken ja of nee, besluiten dat we zullen zien, trui sowieso mee.

Korstjesstrijd niet doorgezet, haren van de oudste mogen kammen, die van de kleinste niet, ze willen allebei met de fiets. de oudste bindt drie knuffels voorop, de kleinste valt van de stoep.

De oudste op kop, al bij de brug, stopt: ik ken die juf niet eens en het is eng, de kleinste op de arm van de man, fiets op de kop over zijn schouder.

Vroeg opgestaan, we rennen over straat, zijn maar een beetje laat, de oudste gaat zitten op een stoel naast een vriend.

Wij dralen in de klas, dralen bij het hek, willen die zonnewangetjes voelen, het strandhaar ruiken, de bruine beentjes rennend zien. Wat zou ze nu doen, vragen we ons af, terwijl we nog wat op ‘t schoolplein staan te staan.

De kleinste wil vissen kijken in de straat verderop. Ik stap door. De man halt even met de kleinste bij de vijver.

Vroeg opgestaan, we rennen over straat, zijn maar een beetje laat, de kleinste wil niet elders spelen, maar na tien tellen is het goed.

Wij dralen aan de deur, dralen in de hal, willen die zonnewangetjes voelen, het strandhaar ruiken, de bruine beentjes rennend zien. Wat zou ze nu doen, vragen we ons af, terwijl we aan ‘t raam nog staan te staan.

‘s Avonds zijn we vroeg met eten en de kleinste is vroeg met slaap, knabbelt een nootje, krabbelt op schoot, hangt en drinkt en ademt zwaar.

De oudste eet met hoofd op hand, zegt haar laatste woorden van de dag: Als ik moe ben, en ik zit aan tafel doodmoe te doen, en jullie zeggen: ‘Schat, je bent moe, hé, ga maar slapen’ … dan is dat echt het perfecte moment van mijn leven.

We zakken zelf naar ‘t laatste uur, trekken pyjama’s aan, nemen een boek mee naar bed, zeggen dat voldoende slaap echt alles is, horen de kerkklok slaan en een duif in de tuin nog wat zeggen, hoeven het niet te verstaan.

Vooral maïs

Er kwam een vriendje spelen en eten na schooltijd. Woorden van onafscheidelijkheid gingen heen en weer tussen de autootjes en het speelgoedservies: Het is echt leuk, hé, dat we straks samen gaan eten?/ Ja! / Kom je dan eens bij mij logeren? / Ja! Het is lang geleden dat ik hier was. / Ja! Je moet vaker komen.

Geheel onvoorwaardelijk was het echter niet: Die doos mag niet stuk. Goed dat je die niet stuk gaat maken? / Okay. / Anders mag je niet meer komen spelen. / Okay. De doos ging aan de kant. De vriendjes gingen aan tafel, zaten tegenover elkaar. De maïs was het lekkerst. Roerend eens. Hun vingers en lippen glimmend en nat van smakelijk en olie. Mag ik nog?

Wij volgden zwijgend hun conversatie, probeerden ook het één en ander boven water te krijgen. Is jullie hond nog weggelopen? / Ja, maar hij is niet overgereid. / Oef! Wat goed dat hij niet is overreden. / Nee, hij is niet overgereid. / Oké. / Is er nog maïs? / Heeft de juf vandaag een boek voorgelezen? / Nee. / Vinden jullie niet dat er op school wat meer aan leesbevordering moet worden gedaan? / Mag ik nog maïs? / Dus juf heeft geen boek voorgelezen? / Nee. Of toch. Ze heeft er drie voorgelezen. / Niettes. Aan mij twee, aan jou drie. / Ja! Over een beer en een vlinder die verliefd waren en de beer is boos en slaat alles stuk. We zetten nog wat maïs op tafel, grepen in toen ze een lachwedstrijdje wilden houden met volle monden boven volle borden.

Hé, wil je mijn armband eens zien? / Ja! / Bekijk hem maar van top tot teen of nee, die heeft natuurlijk geen top en geen teen! Ha! / Mag ik nog maïs? /

Wij ruimden af. Zij bleven zitten aan tafel en praatten nog wat na. Echt leuk dat je hier was, hé? / Ja. / Ja. / Ik kom gauw weer. / Bedankt voor het plezier.

Vangen

De tafel vol ontbijt. De snoetjes vol choco. Griezeltanden met bruine randen. Wil je nog voorlezen over die olifant en die taart? Ik lees voor met een mond vol. Mama niet met die kam, neem de borstel. De man gooit me de borstel toe. Ik vang. Wat heeft ze lange haren. Het oudste kind opent een schrift. Wat kan ik hier doen? Waar zijn mijn stiften? De kleinste glijdt van tafel: Lou Lou jurk, Lou Lou dansen! Mooi! Kijk! Erg mooi, lieverd. 

De man zegt dat ik moet vertrekken. Geen tijd meer om mijn fles te vullen. Dag schatjes. Buurman links zit de krant te lezen. Buurman rechts ziet me stevig stappen. Lacht. Zwaait. Ik grijp mijn telefoon, spreek een bericht in voor een vriendin. Over de lucht. Over de nacht. Bij de sloot waarin straks de kikkers gaan kwaken, begin ik te rennen, verstuur het bericht, deel 1. Een specht. Narcissen. De trein staat er al. Ik ren sneller. Zou de betaalkaart opgeladen zijn? De betaalkaart is opgeladen. De deuren van de trein zijn al dicht, gaan open. Nauwelijks een zitje vrij. Allemaal studenten. Nog een plekje naast een meisje in het zwart, rugzak bovenop haar benen, telefoon in de hand. Ik ga verder met het inspreken van mijn berichtje, zacht, fluisterend. Dag vriendin, hier deel 2. Moet ik bijna achtendertig worden, op drie minuten van het station wonen, rennen om de trein te halen, hijgend neerploffen tussen studenten. Een red bull-petje draait mijn kant op. Een tiener werkt mascara bij, pauzeert even, kijkt me aan. Ik glimlach. Het is wat het is, denk ik. De velden vol mist, kleine windmolens bij boerhoven staan stil, boompjes, takkige silhouetten in de verte, goudgele dageraad. Het is wat het is en zou het schelen wanneer ik het helemaal goed vind zoals het is? Naast me stromen de berichtjes binnen. Achter me zitten er twee te giechelen. En daar. Een jongen met een gouden oorbel, een bungelend bootje met zeilen. Zou hij van water houden, van varen, zou zijn vader schipper zijn? Veel blote enkels, naakte voeten in lage witte schoenen. Ik beweeg mijn tenen, voel de warme wollen sokken. Een meisje met lange roze nagels haalt haar hand door haar haar, keurt zichzelf in de ruit. Iemand drinkt uit zijn fles. Ik krijg dorst. Hoe zou het zijn met de chocosnoetjes thuis? Zouden hun tanden gepoetst, hun wangen geveegd, hun voetjes warm, hun jassen dicht? …  Hun voorhoofd gekust, dat zeker. 

De trein stopt. Het gouden zeilbootje bungelt me voorbij. Ik hoor hem zeggen tegen een ander: Wat moest ik doen dan? Weet ik het, antwoordt die.

Ik wacht op de bus. Een bloemenbroek naast me. Ik kijk op mijn schermpje. Nog een kwartier en het begint. Ik krijg een mail binnen van een student, zijn eerste woord is verdorie. Oei. Niet kwaad op mij, wel op zichzelf. De bus trekt op, ik zit, een vrouw verliest haar evenwicht, valt voorover, ik vang haar met een arm, haar kapsel raakt mijn neus, ik ruik haar shampoo. Ze sorry sorry gaat tegenover me zitten. Het is oké, zeg ik. Mijn gezicht tintelt, ik kijk door het raam. Ik heb iemand gevangen in zijn val. Ik denk aan die avond na een taalles toen ik met een vriend over een plein met een kermis slenterde. Uit het niets kwam een fiets van tussen het schiet- en het viskraam geschoten. Hij raakte me, hup, mijn voeten allebei los van de grond, ik vloog, even, werd gevangen in mijn val door de vriend. Ik weet nog dat het vangen, het in de val overeind blijven tegen zijn arm zo dik als een stam, mij van die avond het meest is bijgebleven. 

Ik stap uit de bus. Boven de gebouwen, de verdiepingen verandert de gouden dageraad in blauwe dag. Het zal goed worden en het is al goed en ik zal overal op tijd zijn op de juiste tijd. En als zelfs vrienden en vreemden elkaar vangen in het breken van een val, dan valt er vast nog veel meer te vangen: een idee en de lichtheid ervan, een grap en het lachen met tranen uit de ogen, een boek cadeau gedrukt toen ik vier was, een compliment van een man die zelden wat zegt en straks: het eten klaar en een kaars op tafel en een kus van een kind met op de wang choco die de hele dag is gebleven. 

Gaan slapen, maar de kachel …

Het is iets na tien en ik ben moe. Ik doof de lichten in de woonkamer, draai me bij de deur nog eens om, zie hoe het licht van het vuur een oranje vlak werpt op de houten vloer.

Ik zou daar nog even kunnen gaan zitten en staren naar de beweeglijke vlammen, het gloeiende hout in het hart van de haard. Ik zou daar een boek kunnen lezen, in dat schemerlicht, met ogen die na vijf zinnen dicht.

Ik zou daar naar mijn blote voeten kunnen kijken, mijn tenen, mijn enkels, mijn voeten dicht bijeen houden, ze vergelijken. Ik zou het warm kunnen krijgen, een trui uitdoen, denken aan late zomeravonden buiten bij vuur op kamp.

Ik zou aan de slapende kinderen boven kunnen denken, de haartjes van de kleinste voor me zien, het vuistje zachtjes gebald, de lange benen van het grootste kind, losgewoeld vanonder de lakens, de knuffels uit het bed gevallen, op de grond. En de man boven aan zijn studeertafel, het getik op het toetsenbord, de papieren omringd door kopjes en borden.

Ik zou mijn les van morgen kunnen overdenken, de knoop doorhakken; begin ik met een gedicht of een prentenboek, welke filosofische vraag zet ik centraal, wat zouden de studenten nodig hebben, wat hebben ze gedaan, gemaakt, geleefd tussen vorige week en morgen en hoe krijg ik dat op tafel?

Ik zou kunnen denken aan mijn ouders in een hotel hier vlakbij en hoe ze morgen weer terugrijden, aan hoe ik ze amper heb gezien, er was te veel werk op het werk, er waren te veel mensen niét op het werk.

Ik zou kunnen denken aan de collega met haar zo rood als dit vuur en het moois dat ze me zond in een bericht. Of die andere collega die zo blij was me te zien, me wat onhandig en hard op en naast de schouders sloeg, tegen me aanbotste en ik die mijn evenwicht verloor, wankelde en het hervond in haar armen. Serieus. Het was een warm en veilig moment en ik wou dat iemand het had gefilmd.

En de studente die zei dat ze pas doet wanneer ze begrijpt waarom en ik die dacht: groot gelijk, hoe kan het ook anders en dacht aan die keer dat ik als kind met ezelsoren het plein op moest omdat ik weer had gevraagd: Waarom?

Ik zou kunnen, de warmte op mijn wangen en voorhoofd, het voornemen om nog wat minuten zo te zitten. De gedachtes laten en laten vallen in mijn handen, ze dubbel vouwen en nog een keer, de deur van de kachel openen, ze zacht en met twee vingers in de hitte leggen, ze lossen zichzelf op, likken zichzelf. En al wat ik nog denk te moeten vinden van de dag of van wat boven in huis ligt te leven, kan gloeien en blijven tot lang nadat ik in slaap ben gegaan.

Het knisperend vuurtje, zie, niet meer en niet minder.

De plaat van piepschuim

Een beetje context. Achter het kastje lag een plaat van isomo, piepschuim voor de NL’ers. Het kleinste kind vond die plaat. Ze kon die plaat vinden omdat ik het kastje naar voren had getrokken. Het kastje staat voor het raam en heeft een erg lelijke achterkant. Die achterkant kan je van kilometers ver zien. Ik schaam me daar voor, dat dat kastje zo lelijk en zichtbaar staat te wezen voor het raam. Ik beeld me regelmatig in dat ik die lelijkheid oplos door iets moois op de achterkant van het kastje te plakken. Maar dat komt er gewoon niet van.

Nog wat context. Vandaag heb ik de hele kleerkast van het kleinste kind leeggehaald. Alle kleren legde ik in stapels op tafel. Ik voorzag er labeltjes bij als ‘te klein’ en ‘voor de kringloopwinkel’. Er stond in de kamer een kast open en in die kast stond behangerslijm. Ik heb toen tussen de stapels kleren op tafel lijm gemaakt. En toen heb ik in mijn collectie mooi papier mooi papier gezocht om de achterkant van het kastje dat voor het raam staat mee te beplakken.

En toen ongeveer ontdekte het kleinste kind de plaat van isomo. Dat zorgde vervolgens voor enkele uren van ongekend vermaak. Eerst zat ze stilletjes aan de plaat te prutsen, maar toen werd het enthousiasme zó groot dat het moest worden gedeeld. Ze rende rond met de plaat en haalde zus erbij. En zo gebeurde het. Het kleinste en het grootste kind hebben de plaat verdeeld, verbrokkeld, verkruimeld, verstrooid, gekleurd, gegooid, gesneeuwd, geschept, gedanst, gegleden, geschoven, geschuimd, ge… Ze waren zo zoet en zo heerlijk en ze hebben ons zo ver gekregen dat we de sneeuw die we in bakjes van hen aangereikt kregen na tellen een-twee-drie en met een sprong in de lucht over hun hoofden lieten neerdwarrelen. De sneeuw kwam traag uit de lucht vallen, gleed langs hun vingers, hun opgestoken handen, raakte hun wangen, bleef haperen in hun wimpers, bleef liggen in het kuiltje van hun hals. Het werd bij momenten zelfs aandoenlijk. Na een tijdje tellen en springen trok ik me even terug in de keuken. Ik heb wat glazen afgewassen en een appeltje gegeten. En toen heb ik voorovergebogen op het aanrecht, leunend op mijn ellebogen en hikkend van het lachen, steun gezocht toen ik de man vanuit de kamer, te midden van het feestgedruis, hoorde zeggen: … papa is gewoon even heel erg bang, omdat hij denkt dat hij dit hier allemaal zal moeten opruimen … Ik vond dat een heerlijk moment, vooral omdat het nog waar is ook.

Het bleek trouwens niet waar. De man trok naar boven om de kinderen in bad te stoppen. Ik heb de stapeltjes kinderkleren netjes in de kast gestopt. Ik heb de lijm en het mooi papier opgeborgen voor een ander moment. En ik heb gestofzuigd, ik heb zo lang gestofzuigd, langer dan ik ooit heb gedaan, mogelijks langer dan ik de afgelopen zes maanden in totaal heb gedaan. De isomo-bolletjes zaten over de hele vloer, in de boekenkast, tussen de kussen van de bank, onder de piano, in het speelkeukentje, in de roosters van de radiatoren, aan de onderkant van het tafelblad (werkelijk), in de haren van de poppen, tussen de bladeren van de planten … Het stofzuigen was een enorm karwei, maar het stond me geen seconde tegen. Want hoe wij zo waren, met zijn vieren op die vierkante meters, met die isomoplaat, terwijl buiten een wilde wind door de straten woei en de luiken klepperden tegen de muren, zo zou ik altijd wij willen zijn.

Je moet het zien zitten, zei een vriendin.

Als zij het zegt

Wij hadden er in het geheel geen melding van gemaakt. Zij kwamen binnen met de handen vol en tekeningen vol rood en roze en glinstering. De kleinste zei: Loulou maakt. We gingen door de knieën, kusten hun koude wintervingers.

De grootste zei: ‘Het is Vaderdijnsdag, dus dit is allemaal voor papa.’ De man nam de knutsels gretig in ontvangst. ‘En jij’, zei het grootste kind, ‘jij mag aan de glitters voelen, doe maar, met je vinger.’ Ik wreef met mijn wijsvinger over de glinsterende hartjes: ‘Goh, heerlijk’, zei ik stil.

‘Wat voor dag is dit ook al weer?’, vroeg ik. ‘Nou’, zei het grootste kind, en ze keek me aan, ‘het is Vaderdijnsdag en dan doen de vaders dus alles.’

Ik vind het goed. De avond is nog jong, de verwachting hoog gespannen.

De complicaties die samen met het kerstpakket komen

Wil je me dit verhaal horen voorlezen? Klik dan op het audiofragment.

In het schemerdonker loop ik met half slapende baby door de woonkamer. Met één hand omvat ik het hele lijfje, met de andere hand ruim ik op. Op tafel staat een kan thee met drie glazen, er staat een schaal nootjes, geraapt in de herfst en nog ongekraakt, er is een doos op de vloer met te sorteren papier. Ik vis er een kaart uit die kerstpakket wordt genoemd. Er staat een code op en een vervaldatum. Voor die tijd moet ik de bijhorende website bezoeken wil ik een cadeautje kiezen. Na die tijd gaat het geld automatisch naar een door de organisatie waarvoor ik werk uitgekozen doel.

Al drie jaar op rij heb ik – verspreid over meerdere avonden – tijd doorgebracht op de pakjespagina. Dit gaat dan min of meer zo: Ik neem pen en papier, ga zitten aan een deels afgeruimde tafel, schenk wat te drinken in, klap de laptop open, voer mijn naam en persoonlijke code in en beland op een pagina vol ongekende mogelijkheden. Ik ga vervolgens op zoek naar iets waarvan ik nog niet weet dat ik het wil. Ik kan het zoeken vergemakkelijken door te klikken op een rubriek naar voorkeur: Samen uit, Lekker lezen, Spel en hobby, Eten en drinken, Kinderen, Hem of haar. Ik kies geen rubriek, maar klik ze één voor één aan. Wanneer iets me aanspreekt kan ik dat cadeau markeren door op een sterretje te klikken. Het cadeau wordt dan opgeslagen bij mijn favorieten. Omdat ik vrijwel onmiddellijk vergeet wat ik als favoriet heb opgeslagen, noteer ik op het kladblokje wat ik heb aangeklikt en onder welke rubriek het was geschaard. Na een tijdje ontdek ik dat bepaalde cadeaus in meerdere rubrieken zijn ondergebracht. Zo verschijnt de lichtbruine knuffelhond niet alleen bij Spel en hobby, maar ook bij Kinderen. Dat vind ik storend. Ik raak het overzicht kwijt. Wat ik trouwens met een lichtbruine knuffelhond moet? Ja. Ik moet bij het kerstpakket steevast als eerste hobbel de neiging over iets voor het kind te kiezen. Als tweede hobbel reken ik af met een voorwerp waarvan ik denk dat ik er een woekerprijs voor kan krijgen als ik het verkoop via Marktplaats. Die hobbels zijn vrij snel genomen, maar ik moet er altijd éven een heel bewust besluit van maken.

De zoektocht naar het ideale cadeau begint rond half tien en gaat door tot de klok van elf, ik word ook steeds zenuwachtiger. Ik ben daar niet fier op, maar dit is zoals het gaat. En zo zit ik ‘s avonds te klikken en te zoeken, blader ik steeds weer terug naar de cadeaus die ik heb gemarkeerd als favoriet. Dan vraag ik uiteindelijk de man of hij in mijn plaats wil beslissen. Dat doet hij natuurlijk niet. Ik krijg dan een soort halfzachte berisping en de opmerking dat ik zelf moet beslissen wat ik wil. Dat is het moment waarop er tranen komen. En wat, schreeuw ik dan, als ik op geen enkel vlak in het leven weet wat ik wil!? En dat is dan weer het moment waarop de man naar de keuken gaat, de deur achter zich dichttrekt en gaat luisteren naar ofwel een hit uit de jaren tachtig ofwel een klassiek stuk met Duitstalige zang. Vervolgens denk ik eraan de laptop dicht te klappen, ik doe het echter niet. Anders krijgen we morgen gewoon hetzelfde liedje. Ik klik nogmaals kordaat doorheen de favorieten, weet dat ik het totale aantal waardepunten in één keer kan spenderen aan een groot cadeau óf aan meerdere kleine cadeautjes. Ik kijk naar de rijtjes aantekeningen op mijn kladblok, de symbolen als sterretjes en uitroeptekens waarmee ik een rangorde heb aangebracht. Het hele proces irriteert me. Ik kijk de kamer rond, het gordijn is blijven haperen achter de sanseveria. Er wordt vandaag geen keuze gemaakt, ik voel het.

Maar dít jaar heb ik het kerstpakket nog niet geopend en kan het hele proces nog anders lopen dan anders. Ik kan ook teren op enige voorkennis, wellicht zal het assortiment cadeautjes niet zijn veranderd en zal ik geconfronteerd worden met de objecten die ik vorig jaar en het jaar daarvoor en het jaar daarvoor ook heb overwogen. Ik kan niet zeggen dat ik toen de goeie keuzes heb gemaakt. Ik wilde wel, maar dat lukte gewoon niet. Begin januari zit ik dan tussen de collega’s in de kantine, het kerstpakket kwomt ter sprake en iedereen begint op te sommen wat hij had gekozen. Ik had trouwens ook al wel gezien dat meerdere collega’s als lunch ineens yoghurt hadden meegebracht in een blauw rond bakje met bovenop een apart vakje voor muesli. Dat hadden zij gekozen, ik herkende het meteen. Op de site had je de keuze tussen zo’n grijs, blauw of roze bakje. Nadat een oudere mannelijke collega vertelt dat hij voor de design fruitschaal was gegaan, is het mijn beurt om te vertellen dat ik had gekozen voor een bloembollenstekker van Gardena en dát in combinatie met een plastic maatbeker in een soort retro geel van Mepal Rosti. Die twee objecten zijn hier op verschillende dagen aan de deur geleverd. Den bollestekker is in ons tuinhokje beland, heb ik nog niet gebruikt. De maatbeker is hier verbrijzeld afgeleverd. Ik heb daar gelijk diezelfde dag achteraan gemaild, maar ik moest foto’s aanleveren en een beschrijving van hoe ik het pakket had geopend en mijn geschenk had aangetroffen. Ik heb het zo gelaten. Het jaar daarvoor had ik gekozen voor twee glaasjes met waxinelichtjes erin in een soort metalen houder met een haak eraan die je ergens kunt dan ophangen. Maar omdat wij hier helemaal niks hebben waaraan je een haak kunt ophangen zijn die dingen in de kast beland met de bedoeling die ooit aan iemand cadeau te doen, iemand die wel iets heeft waaraan je wat kunt ophangen. 

Ik heb nog een maand de tijd om mijn puntenaantal op de site uit te geven. En anders gaat het bedrag naar het goede doel, geselecteerd door de organisatie waarvoor ik werk. Het is niet dat ik het dat doel niet gun, hoor, maar ik gun mijzelf hier een doorbraak. Ik weet nog niet hoe ik die ga realiseren, maar iets – misschien de gouden gloed van deze ochtend, het frisgroene gespriet in de voor de rest nog bruine tuin of een geluidje dat het kind vandaag, maar gisteren nog niet maakte – zegt me dat het dit jaar lukken kan.