Ik dacht: laten we een kleine, eenvoudige traditie introduceren

Wil je me dit verhaal horen voorlezen? Beluister het in De Tiny Podcast.

Het was de week van de Poëzie. En ergens in het begin van die week dacht ik bij de lunch: laten we een kleine, eenvoudige traditie introduceren. Dat ging zo: De man zet de laatste dingen op tafel, staat nog eens op voor een vork voor het ene kind en een slabbetje voor het andere. Hij giet verse soep in kommen en staat ook wat op tijd, over een klein half uur zal hij naar boven gaan voor een vergadering achter het scherm.

Op tafel liggen vijf dunne dichtbundels. Ik neem de bovenste; een rode met over de hele kaft verspreid glinsterende donkerrode stipjes. Ik blader naar het op een na laatste gedicht, laat daar het leeslint tussen de pagina’s vallen en zeg: Jongens, voor we gaan eten, ga ik een gedicht voorlezen. En ik kijk met opgetrokken wenkbrauwen, naar de man, het kind en de baby. De man zegt oké en frommelt een papieren broodzak open, haalt er een pistoletje uit. Ik kijk hem aan en wacht. Doe maar, doe maar, zeg hij en zet de tanden van het broodmes krakend in de korst. Dat gaat zo niet, zeg ik. Dat gaat wel, zegt de kleuter.

Ze springt van haar stoel af en kruipt in een lege kartonnen doos die daar zomaar naast de tafel staat te staan.

Kom maar aan tafel, zeg ik, ik ga een gedicht voorlezen.

Het kind in de doos, klapt de flappen boven haar hoofd dicht en speelt dat ze een baby is: whè-whè.

Ooooké, zeg ik, het gedícht kómt nú. 

Het kind stapt uit de doos en gaat weer zitten. Ik neem de bundel in één hand, probeer met de andere wat sfeer en spanning te brengen. Ik til een hand op tot naast mijn hoofd, zet duim en wijsvinger op mekaar, laat mijn hand zo enkele seconden hangen in de lucht en met het lezen van de eerste woorden sla ik met mijn hand zachtjes de maat.

Geef    me    je    jas.

Dan laat ik mijn hand zakken, buig voorover in de richting van het kind, articuleer traag en duidelijk, regel na regel, leg klemtonen die het gedicht wellicht niet alle eer aan doen, maar wel daar waar ik denk dat het kind ze wil, bij teddyberen en winterkleren. En bij zoen me tot ik warm word en zoen me tot ik spin.

Ik wil spelen, zegt het kind. We gaan eerst eten, zeggen wij. En ik herhaal:

Zoen me tot ik warm word.

Zoen me tot ik spin.

Tussen regel zes en zeven legt de man de baby op mijn schoot. De baby zoekt en vindt de borst en ook het boekje in mijn hand. Nee, schat, laat los.

De man draait een glazen potje open, prikt met een vorkje klettert naast de olijven. De kleuter zit weer in de kartonnen doos.

Zég, ‘t is wel de week van de poëzie, é! En ik heb ook honger, dus ik wil dat gedicht hier lezen en eten.

Er valt een stilte – en een mes, uit de hand van de man, kling, naast zijn bord. Ik leg de bundel met een zucht opzij, gebruik beide handen om de baby rechtop te zetten en haar te laten drinken. Dan neem ik de bundel weer vast en begin opnieuw: Geef me je jas van bont van teddyberen. Sla je arm om me heen en al je winterkleren. Ik zie in mijn ooghoek dat de man zo traag en stilletjes mogelijk op zijn pistolet aan het kauwen is. Zoen me tot ik warm word. Zoen me tot ik spin. Trek je eigen huid dan uit, stop mij eronder in.

Het kind kijkt mij aan, een broodkorst hangt op haar onderlip naar buiten, ik vind het eng, ze gaat van tafel, kruipt bij de man op schoot, drukt haar neus in zijn trui.

Hoezo, ik vind het eng? Het is totaal niet eng. Het is een gedicht van Bart Moeyaert en Bart Moeyaert schrijft geen enge gedichten. Integendeel. En dit gedicht is wel het liefste en lichtste, zachtste en zoetste, knuffeligste en knoezeligste gedicht van heel die bundel. Ik gooi het leeslint weg van tussen de pagina’s, het hangt slap naar beneden, raakt de boter. Ik sluit de bundel, gooi hem weer bovenop de rest.

Nee, zo is het niet gegaan, of toch niet helemaal. Er was wel het geritsel en gefrommel en het gekletter en gekraak, het gekorst en geknabbel, het gedrinken en gedozen

en het gedicht

Maar daarin was ik amper halverwege. Nog een keer proberen. Hier komt het.

Geef me je jas

van bont van teddyberen.

Sla je arm om me heen

en al je winterkleren.

Zoen me tot ik warm word.

Zoen me tot ik spin.

Trek je eigen huid dan uit,

Stop mij eronder in.

Sus me met je hartslag.

Wij ons wij ons wij ons.

Maak van dit veel te grote bed

een heel klein fort van dons.

Mooi, zegt de man. Mag ik nu pindakaas, zegt het kind. Ik drink mijn soep. Lauw. Ik krijg een knipoog van de man. Hij staat op, zijn overleg begint.

En de dag gaat verder, langs een pad door het bos, langs lijnen met krijt op de stoep, met een hand langs een rug en tenslotte langs de trap naar de nacht. Het kind rommelt in haar kamer de laatste dingen een plek, de baby bij me, een handje tegen mijn hals, de man laat badwater gaan. Ik kijk naar wat op mijn kastje ligt en ik straks kan gaan lezen.

Dan komt het kind nog even bij me, schuift blote voeten onder mijn benen, aait slapende zus. De man vult ook zijn plek op het bed. En dan zegt het kind: Slaap lekker en poewei, pauweisie, pauweisie-schatjes, jullie zijn poeweisie-schatjes, tot morgen.

Tot morgen, lief kind.

De titel van het gedicht van Bart Moeyaert is Siberië, verschenen in Verzamel de liefde, 2003.

Elke vrijdag schenkt De Tiny Podcast een poëziepauze, dan is iemand aan het woord over een voor hem bijzonder gedicht.

3 reacties

Laat een reactie achter op fiekefatjerietjes Reactie annuleren

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s