Het begon met brood gekocht in een dagwinkel die leek op een nachtwinkel

Lunch in de tuin onder twee parasols. Salade was goed, brood was mottig en had hij gekocht in een dagwinkel die leek op een nachtwinkel. Ik moest me er even overheen zetten, over dat brood. Maar oké, smakelijk. En dat het al woensdag is. Dat híj om de dag is gaan hardlopen en al een boek heeft uitgelezen. Dat mijn zus haar tuin heeft aangepakt en de hele eerste verdieping. Dat ik veel heb gescharreld en gedacht en het spel pak-de-vossenstaart heb geïntroduceerd, voor grote en kleine mensen, zo elk met een doek waarvan een punt in onze broek. Dat was een heerlijk moment. Ze sprong maar op en neer met die kleine beentjes, draaide rondjes, kon niet stoppen met lachen. Het eindigde wel met tranen, omdat wij dat nu eenmaal geen uren kunnen volhouden, dat gepak-de-vossenstaart en dus ergens op een punt dat voor haar niet gelegen kwam het spel hebben afgebroken, nochtans meermaals en voorzichtig aangekondigd. Dat ík nog géén boek heb gelezen, er wel vijf meebracht, maar nog niet ben op de helft van het eerste. Dat ik een stapel papier vol ideeën voor teksten, maar er amper eentje heb geschreven. Hoe ik dat toch heb kunnen bedenken, dat ik hier elke dag zou kunnen zitten en schrijven?

Ik bijt in een taaie witte boterham en moet een beetje huilen. En dan komt de scène. Ik staar naar wat overpeinzingen in de struiken en naar het gras dat ros is van de droogte en dan zegt iemand zo ongeveer dat als ik mijn tijd goed wil benutten dat ik dan maar zo traag niet moet eten. Ja. Kom zeg. Dat wordt later wel rechtgezet en we lachen er mee. Maar nu. Ik huil nog wat verder en mijn neus begint te lopen, ik heb geen zakdoek. Dat punt dat je voelt dat je neus begint te lopen en dan met beide handen op de zakken van je broek klopt om een zakdoek te voelen of dat je gewoon wéét dat je er geen hebt en hoopt dat er geen snottebel tot op je lippen hangt voor je er een hebt gevonden. Ik sta op, kijk niemand aan, schuif mijn stoel achteruit en stap naar het huis, mijn armen ongemakkelijk langs mijn lijf, ik zie hen naar me kijken vanaf de tafel en ik zie mijn ongelukkige zelf weerspiegeld in het grote raam waarvan het rolluik naar beneden tegen de hitte. Terwijl ik in het donkere huis zoek naar een zakdoek weet ik dat ze daar nu een blik zullen wisselen, elk met zo’n fletse boterham in hun handen. Dat mijn zus grote ogen zal maken en daarbij de wenkbrauwen en het voorhoofd omhoog en dat hij zal zeggen tjah. Ik snuit mijn neus, doe nog even niets bij het aanrecht in de keuken, open de deur en stap weer over de warme tegels van het terras en over het gras naar de tafel. Hij kijkt mij aan: Hé? Heb jij gehuild? 

Later die middag val ik in slaap op bed met de baby. Mijn benen hangen over de rand. Ze zijn wat koud en tintelend als ik wakker word, ik was niet van plan te slapen. Ik trek mijn benen op, schuif mijn gezicht vlak naast dat van de baby. De gesloten ogen, de wimpers op de wangen, die lipjes op mekaar. Ik ga liggen op mijn rug, zie in het licht van de witte kamer hoe de slaap me uit al dat voelen heeft gehaald en nu een klein ontwaken brengt.  

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s