En in de kleinere pop zit een nog kleinere pop en in de nog kleinere pop zit een nog kleinere pop

We worden naar buiten geleid, kiezen tussen stoel of bank, krijgen een kopje thee en een koek en een opdracht en het plan voor de rest van de dag. De man zit naast zijn moeder, op het bankje in half zon half schaduw. De baby op zijn schoot. Zijn moeder kijkt en zegt: Wat mooi toch, hé, zo’n kind. Wij knikken ja. En we zeggen dat de tuin er weer mooi bij ligt en dat de peterselie het zo goed doet. Ja hoor, zegt zij. En ze kijkt weer naar het kindje. Snap je dat nu, dat er mensen zijn die geen kinderen willen? Wij halen schouders op tjah.  Nee, zegt zij, dat snap ik niet. Zelf heb ik ook heel wat kinderen. Ik weet niet meer hoe veel, maar wel veel. 

De man legt een doek op het gras en geeft de baby een schone luier. Zijn moeder zit, kijkt met dichtgeknepen ogen naar iets in de lucht, de wolken, de half zon half schaduw en dan naar de blote billen. Wat fijn dat je hier bent, met het kindje. En ze geeft het kindje een naam dat het niet heeft. 

De vader van de man stapt naar buiten, kordaat en met een witte kom. Ik volg hem op zijn verzoek. Mijn zus volgt mij. Zij is er voor het eerst. Op die plek en in de tuin waar mijn man als kind met een kartonnen koker vol pijlen aan een touwtje dat wat sneed om de hals, zijn boogje spande, een keer zó hard dat het in tweeën brak. De tuin met achterin een hut en de blokken hout als een nette toren en een kuil met bankjes om te zitten en soms de kippen van de buren door de heg en de kolen en de sla, nu een beetje doorgeschoten. De bramen blinken. De vader, mijn zus en ik omsingelen de struik, wij gaan door de knieën voor de laagste lagen en op de toppen voor de hoogste. De vader verzamelt op eigen hoogte. Ik eet bramen voor hij zegt dat ik mag. De vader is wat kleiner geworden, ik zeg het hem en leg een hand op zijn schouder. Ja, zegt hij, al wat in het hoofd gebeurt, zoekt zijn weg in het lijf. Hij zoekt verder naar bramen en pas op voor je kleren. Alle drie zeggen we wel een keer auw en mijn wijsvinger rechts bloedt een beetje. 

Er gaat suiker bij de bramen, glazen potjes met een tang gegrepen en met kokend water gespoeld. Op het bankje zitten nog steeds de man, zijn moeder en de baby. De moeder leunt naar links, handen slap in haar schoot, vraagt Wie ben ik? aan het kindje. Het kindje zegt niets, kan nog niet praten. De man zegt: Waar is oma? Daar is oma. Hier is oma. Kijk maar, hier is oma. 

Aan tafel zit oma scheef op een stoel. Ze steekt haar vork rechtop in een groot stuk vlees. Ho lief, even wachten, zegt de vader tegen haar. Hij brengt zijn hoofd wat dichter bij het hare, hangt zo ook wat scheef. Hun hoofden raken elkaar zachtjes bij een punt van de tafel. Ze hebben allebei een schort om. Hij voor het koken. Zij voor het eten. Hij misschien ook wel voor het eten of om wat aan haar gelijk te zijn. Nog even wachten, ja? Op fluistertoon. Hij geeft haar aardappelen, bloemkool, sla. Je mag beginnen, lief. Een hand met een mes en een hand met een vork zweven boven het bord, raken nu en dan wat aan, prikken af en toe raak. Hij eet en wijst haar hand met vork de weg. Ja, hier zo. En als de vork niets vinden kan, vindt hij het en brengt het naar haar lippen en lekker, hé, lief? 

We krijgen tijdens het eten een samenvatting van wat afleveringen van een programma dat we toch echt een keer moeten. Deze keer was er een psychologe. En ze had het over zo’n Russische poppen. Matroesjka’s. Ja. En dat je net als een matroesjka je buitenste of je binnenste zelf kunt laten zien. En dat dat soms bewust en soms onbewust gaat. Ik kijk naar de man. Hij zit van alles te denken en vergeet te eten en ik zie dat er wat brandt op zijn lippen en achter zijn ogen. 

We ruimen de tafel af. De moeder stapt aarzelende rondjes door de kamer, schiet ineens snel vooruit, zet rappe passen, kijk maar wat ik kan. De man staat met zijn vader en zijn handen in het sop voorovergebogen in de keuken. Ik kom van uit een andere kamer en krijg van de moeder een strenge blik: Hoe loop jij erbij?! Ze bekijkt me van boven naar onder. En, zegt ze, ik heb me nog wel zo mooi aangekleed. – Oh sorry, zeg ik, ik zal er de volgende keer om denken. 

We knikken en kijken en aarzelen en draaien en zwaaien in de hal en aan de deur en op de stoep tot de volgende keer. De man slaat de kofferdeur dicht, gaat weer bij zijn ouders, legt handen op hun tere schouders, zoekt zijn moeders ogen, zegt zinnen over leven en liefde en wil en wenst. En dan zegt zij: Ik weet dat je van me houdt en nu moet je het loslaten en een plek geven, want pap zorgt voor mij. 

Ik rij en kijk naar het gezicht naast me, zie een hartslag in de hals en op de wangen de gloed van de volzin van zijn moeder. 

2 gedachtes over “En in de kleinere pop zit een nog kleinere pop en in de nog kleinere pop zit een nog kleinere pop

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s