De twee puzzelaars

Ze zitten naast elkaar aan tafel. De kleine heeft de benen onder zich geplooid, leunt voorover, steunt met de ellebogen op het tafelblad. De grote legt de handen te rusten op haar wiebelende benen, hielen gaan op en neer, de toppen van de schoenen blijven op het tapijt.

Ze zitten daar elk met een puzzel. De kleine met een grote van meer dan zestig stukken, de grote met een kleintje van twintig. De kleine zet de doos rechtop, het beeld van wat het moet worden voor zich. Voor de grote schud ik de twintig stukken uit het doosje. Kijk, zeg ik, er staat een tijger op, met haar welpje.

Even kijken waar pap is, antwoordt de grote.

Pap staat in de keuken, schenkt sap, brengt voor de kleine en de grote puzzelaar een glas, zet het neer op groene onderzettertjes. Zo komen er geen kringen, blijft de tafel schoon. De grote neemt het glas, drinkt het tot de bodem leeg. De kleine ordent de puzzelstukken. Links die van de buitenkant, rechts die voor het midden. Die met de tijger mag jij maken, hoor, oma, zegt de kleine. Ik zou wel een glaasje sap lusten, zegt oma.

De kleine zoekt de vier hoeken, legt ze voor zich neer.

Gisteren kwam hier een man, vertelt oma, en die gooide zomaar alle stukken op de grond! Zoiets doe je toch niet? Nee, zeg ik, zoiets doe je niet.

Eerst de randjes, oma, dan de binnenkant, zegt de kleine.

Nee, zegt oma.

Oma neemt het doosje met de tijgers, legt het op de rand van de tafel, fluistert in mijn richting: Die is leeg. Zat chocolade in. De kleine staat op, neemt even een pauze van het puzzelen, gaat rondjes dansen rond de bank, steekt een arm in de lucht en zingt.

Wat is dat een vrolijk kind, zegt oma, het is erg belangrijk dat je vrolijk bent.

De kleine werkt haar puzzel af, Kom eens kijken! Ze schuift de puzzel voorzichtig in de doos, doet het deksel erop. Oma komt niet kijken, stampt met een voet op de grond en sist tegen het raam: Zo wil ik niet meer!  Ze haalt haar neus op, de kleine draait zich om: Wat is er, oma?

Ik ga maar even kijken waar pap is, zegt oma. Pap staat op, laat zijn krant liggen, neemt oma’s bril van haar neus en gaat die schoonmaken. Ik zie jullie toch zo schimmig zonder bril, zegt ze, maar ik weet wel dat jullie hier zijn. Dat weet ik echt wel.

 

Een tip

Sommige mensen dragen altijd zwarte kleren. Dat is voor het gemak, zeggen ze als je hen ernaar vraagt, t combineert goed. Of het hoorde ooit bij hun muziek en nu gewoon bij hun kleerkast. Of het is gegaan zonder noembare reden, plots waren alle kleren zwart en nu stappen ze daar niet meer vanaf. In mijn straat woont ook zo iemand, altijd in ’t zwart. Waarom weet ik niet, maar ik denk iets met weinig moeite en afleiding. Rust, dus. Wat ik wel van haar weet, is dat ze elke dag bananen eet. Dat heeft ze me verteld in de winkel, toen onze karren botsten en ik in de hare een berg bananen zag. We stonden wat in elkaars karren te staren, zwaaiden samen naar een gedeelde kennis en deelden nog wat over de traagheid of snelheid van de tijd en over hoe één woord een hele dag kan bepalen – zoals vertrek of  verstomd of verandering en hoe je dan weer tijd nodig hebt om bij te komen en dat die tijd er dan net niet is. En dat het fijn is zo tegen elkaar aan te botsen en vrijer dan plannen om te praten. Ik keek naar het stuk biologische zalm in mijn kar: €7,78. Zal ik je een bericht sturen met een tip, vroeg ze, voor als je binnenkort nog eens wat moois wil zien? Doe maar, zei ik. Tot ziens.  

Met de tip op een briefje rij ik enkele kilometers richting een schuur vol stenen. Het is er koud, maar in het midden warm. Daar straalt een kachel en een vrouw met een dikke vest en handschoenen zonder vingers. Ze kijkt hoe mensen kijken. Naar stenen die zij heeft gezocht, gebeiteld en geordend. De stenen zijn rechthoekig, ruw rondom. In het gladde bovenvlak staan woorden: vloed – vogels – rood – samen – adem – plotseling  – … Alle stenen naast en onder elkaar vormen wat de kijker wil: een zin, een zucht of iets wat was vergeten. Soms verdwijnt een woord uit een regel – gaat naar een vriend, een minnaar, een moeder – en ontstaat een nieuw verhaal. Of ik chocomelk wil, vraagt ze. Of het ook thee kan zijn, vraag ik. Dat kan. Over enkele dagen verdwijnt weer een woord uit het geheel. Dan gaat het naar een kijker die op papier kon zeggen wie de steen verdient. Ik ga aan een tafel zitten en schrijf iemand de steen toe. Mijn pen schiet uit mijn hand door de kou. Ik druk mijn vingertoppen tegen de thee.  

Weer bij een winkel. In het stuk tussen binnen en buiten loop ik tegen de vrouw uit mijn straat die altijd in ’t zwart. De schuifdeuren gaan open en dicht, raken ons elk op een arm, zetten ons stil, porren ons tot we kiezen voor buiten en tijd voor elkaar. Achter haar heg en gordijnen van riet is laatst haar poes gestorven, zegt ze. De poes ligt onder de grond, wordt gemist, maar geeft nu vrijheid. Nu kan er bewogen worden zonder dat er van alles moet worden geregeld en dat komt nu goed uit. Ik vertel over hoe de botsing met de bananen en het bericht met de tip me bewogen naar de stenen. En dat ik daar heb geschreven en wat later de steen heb gekregen om door te geven. Die laatste beweging was klein, ik schoof de steen gewoon naar de man die dichtst bij me staat. We zijn hem samen in de warme koude schuur gaan halen. In de keuken naast de schuur lag een lam in een kuip. Het was die nacht geboren, kreeg van de moeder enkel stompen en lag nu zoet te overleven op wat stro. Ons eigen lam was ook mee, keek ernaar en trachtte linken te leggen tussen pratende schapen in boeken en dat wat daar nu tussen mensen lag en melk kreeg uit een fles. Terug in de schuur kreeg de man de steen en las ik voor waarom. Hij stond er bij en probeerde linken te leggen tussen mij en zichzelf, terwijl ons lam haar vingers tussen de schuurdeur stak. Met een klein blauw duimpje en een steen met LENTE erop reden we terug naar huis. De steen heeft enkele dagen binnen, buiten, hoog en laag gelegen, de man zocht een plek waarop de steen sprekend stil kon zijn. Nu ligt de LENTE aan onze voeten, tussen de prei en de tijm. Als het regent wordt de L donker en wacht de ENTE bleek tot het weer droog wordt. In die tijd verzinnen wij vervolgen voor de L zoals ’t ons past: lam – long – lip, leven – linken – laven, lief – lengte – lijf.  

Wat mooi, zegt de vrouw in ’t zwart, en dat dat zo kan gaan. Dat een hele rij van dingen dan zomaar zorgen voor lente op een plek. En dan zwijgt ze, staart naar beton aan de overkant. En ik sta naar haar te kijken. Dan kondigt ze een omhelzing aan en vertrekt naar onze straat. Tot ziens!  

De poëtische stenen uit het werk ‘Ik ben een woord’ werden en worden bewerkt, beleefd, beletterd, bezorgd door Anjet van Linge. De constante beweging van het kunstwerk kan je volgen op ik ben een woord of haar site

De vrouw in ’t zwart buigt haar dagen en de dingen in haar hand met zo veel gevoel en warmte dat ze smelten, onherroepelijk iets nieuws inluiden. Ze geeft inkijk op vele plekken en ook op haar stille site

Ik ben een woord – Anjet van Linge

 

Wat ik nooit heb gedeeld over 1 april

Vandaag is 1 april. Ik heb op de radio al drie maal gehoord dat een bericht geen grap is. Berichten die vandaag niet anders zijn dan gisteren, kunnen vandaag – anders dan gisteren – worden gehoord als een grap. Daarom krijgt een bericht vandaag al eens een voetnoot die zijn ware aard onderstreept. De voorzitster van de fietsersbond dacht dat de afgesloten afsluitdijk een grap was. Maar nee, mevrouw, er zal daar echt waar een aantal jaar niet gefietst kunnen worden. Ze overweegt een stap en dat is geen grap.

Maar belangrijker is dit: Vandaag is 1 april. Ik denk aan iemand die ik nauwelijks ken, maar van wie ik altijd zal onthouden dat hij jarig is op 1 april. Hij en ik zaten naast elkaar toen we negen waren. We zaten te schrijven, elleboog tegen elleboog, hij met links, ik met rechts. We schreven gebogen over ons blad een belangrijke tekst, eerst in ‘t klad en daarna met pen op potloodlijnen. Mijn tekst werd een tekst die ik nooit zou vergeten en die was bedoeld om vader op vaderdag gelukkig te maken. In kleine ronde letters noteerde ik zinnen met woorden als grappig en sterk. En toen vroeg mijn buur plots of ik durfde te schrijven, de volgende zin: als mijn vader me slaat, dan slaat hij me bijna dood. Natuurlijk durfde ik dat te schrijven. En dus schreef ik het.

Meester Jean-Claude las alle kladjes na op fouten, ik kreeg de mijne zonder markering terug. Toen ik mijn brief met klare stem en ingehouden lach voorlas op vaderdag, vroeg moeder hoe dit had kunnen gebeuren. Vader was er ziek van. Na de schrijfles heeft meester Jean-Claude vader trouwens nooit meer een hand gegeven.

Toen we ergens halfweg de twintig waren, stonden we plots naast elkaar voor ‘t rood licht in de stad waar we beiden klein waren geweest, mijn klasgenoot en ik. We woonden er in die jonge jaren elk aan een kant van dezelfde wijk, hij met zijn ouders en een broer in een rood huis met kiezels ernaast. Zijn moeder was altijd erg vriendelijk en erg gemaquilleerd. Voor ‘t rood licht waren ook wij vriendelijk tegen elkaar, vroegen waar we nu woonden en wat we deden. Ik heb getwijfeld of ik mijn vaderdagherinnering met hem zou delen, hem zou vertellen hoe hij met één zin die ene vaderdag regiseerde, hoe haast elk jaar zijn naam valt aan de familietafel als vader weer eens de rilling bij die regel beschrijft. Het werd groen.

Vandaag is 1 april. Ik zoek mijn jarige klasgenoot op een plek waar je met een klik ongezien alles van een ander kunt zien, ik ga door zijn berichten, zijn beelden, zie dat hij zelf in kundig klikken en kiezen de wereld grijpt, sparrentoppen scherpstelt in sneeuw en ochtendgloren, waterwegen volgt tussen stenen, stille kringen kadert in meren en een mum – een tel in de tijd in radeloos licht, de wolken tegen rotswanden neemt en een spoor in een dal in een straal in een dag.

En dan zie ik dat hij binnenkort voor het eerst vaderdag zal vieren, die dag wellicht gebogen over het kind in zijn armen, het hoofdje in de warme schelp van zijn hand, zijn gezicht dichterbij, zijn neus over de wangen zal strijken, met gesloten ogen zal ruiken, zal denken aan al wat daar in die kleinheid en de toekomst scherp zal worden, hij zal in gedachten zeggen dat leven durven is en soms een grap, dat een dag zonder geluid kan passeren, maar altijd telt en dat je hem kunt vergeten of bewaren en dat dat goed is zo.

 

Even naar de dokter

In de wachtkamer van de huisarts komt een man binnen die ik meteen herken. Hij kijkt me aan, het is niet duidelijk of hij mij ook herkent. Ik blijf kijken, hij ook. Hij gaat zitten, kijkt nog steeds, ik zeg: Wij herkennen elkaar. Hij kijkt, zegt niets. Ik zeg: U kijkt mij aan en ik u, dus ik denk dat wij elkaar herkennen. Een vrouw legt haar tijdschrift opzij, raakt geboeid. De man kijkt me aan, zegt nog steeds niets. Ik hou vol, krijg het een beetje warm. Wat zeg je, vraagt hij. Ik zeg: Zondagochtend, op een matje. Hij kijkt, zegt: Oh ja, daar.  Het is nog steeds niet duidelijk of hij mij herkent. Ik vraag of hij hier ook woont, in dit dorp. Ja, zegt hijeuh nee, eigenlijk niet. Hij noemt een ander dorp. Vlakbij. Een man met een gele jas komt binnen, we zeggen allen: Goeiemorgen. De man met de gele jas zoekt in een mand een magazine dat hem aanstaat, gaat naast me zitten en leest. Ik kijk weer naar de overkant, naar de man van de zondagochtend. Hij is actief op zijn mobiel, elke tik is hoorbaar. Nu komt er iemand naar beneden van een trap. Ik herken de tred van de huisarts, wakker en snel. Hij komt de wachtkamer binnen, kijkt mij aan en knikt, draait zich om en gaat alweer richting trap. De man met de gele jas, gooit het magazine weer in de mand en gaat achter de dokter aan. Ik neem mijn jas en tas, weet dat het mijn beurt is, kijk zondagochtend aan en zeg: die is helaas iets te snel. Zondagochtend lacht, de man met de gele jas komt terug, kijkt naar de grond.

Dag dokter, zeg ik, als we in zijn kamer zijn. De dokter klikt een bestand aan. Op de tafel staan drie stempels, een nietjesmachine en een rond potje met daarin heel erg veel paperclips. Middenin de paperclips staat een schaar rechtop. Terwijl de dokter leest, kijk ik door het raam, zie licht branden in het museumkantoor aan de overkant van de straat.

Als ik op de consultatietafel zit, drukt de dokter met drie vingers op mijn vel, ik geef aan wanneer dat pijn doet. Nee. Nee. Nee. Ja. –Hier? -Ja. -Hier? -Nee. -Hier dus? -Ja. –Oké.  Daarna toont de dokter op een skelet van gelakt hout over welke plek het gaat. Hij stelt een plan van aanpak voor, vanaf stap twee kan ik het al niet meer onthouden. Ik kijk weer naar het skelet, vind het prachtig. Buiten wandelt een vrouw met een hond aan de lijn over de stoep. Ze stapt met één voet in het gras.

Is er nog iets wat je wil bespreken, vraagt de dokter. Nee, dokter. Met de deurklink in mijn hand wisselen we nog wat verschillen uit tussen Belgen en Nederlanders. Tijdens elk consult breiden we dat lijstje uit. De uitsmijter laat ik meestal aan hem. Deze keer luidt die Een beetje zuiden in het noorden is goeddus blijf maar. Zal ik doen, dokter, zeg ik en ik ga, de brede trap af, de grote deur door. Waar zou ik na vijf jaar heen kunnen, vraag ik me af en kijk een seconde naar de vlakken en lijnen op een geografische kaart in de hal. Ik denk nog even aan de man van de zondagochtend, vraag me af of hij nog in de wachtkamer zit en of we elkaar overmorgen zullen zien en wie dan als eerste zal knikken. Ik ga twee deuren door en sta op de stoep. Ik kies links, steek de straat over, tik het witte hekje bij de museumtuin aan, zie in de kamer van een vriendin een wasrek met handdoeken, ga rechtsaf, wandel over het smalle pad. De konijnen die naast het pad hun plek hebben, zijn er niet. Ook hun hok is weg, heeft een bleke afdruk gelaten in ‘t gras. Wellicht genieten ze tijdens de kille maanden van warme binnenlucht, mogen misschien zelfs af en toe bij een kind of een moeder op schoot op de bank. De chansaars.

De schort

Ik woon nu bijna vijf jaar in Nederland. Het sentiment voor al wat Vlaams is, neemt met de jaren toe. Als ik familie in mijn geboortestreek bezoek, door de straten van mijn studentenstad wandel of in de buurt kom van de plek waar ik werkte, vertraag ik mijn pas, ga ik anders kijken. Met een treinkaartje in de hand, rugzak over een schouder, sta ik op het perron te wachten. Ik draai om mijn as, zie op een blauw inlichtingenbord een lik verf met daaronder de contouren van een diertje dat ik er ooit op tekende, ik zie het frietkot waar we vroegen of ze ook frieten verkochten en toen gierend een kleintje bestelden om te delen (*), ik zie dat de man die het gordijn achter het loket neerlaat nog steeds dezelfde is, ik zie dat de kauwgomballenbak is verdwenen. Ik stap op de trein, neem de route van thuis naar de school waar ik mijn tienerjaren doorbracht. De vertrouwde warme lucht in de wagon, het fietspad naast het spoor, de platanen op een rij, oude en nieuwe graffiti, het fabriekspand voor de fuiven waar ik niet heenging, de stadskern die dichterbij komt, de winkels, alleen Asalamsupermarkt en de tegels op het plein zijn nieuw. En dan links, rechts, weer links, rechts en nog een keer links tot … 

Ik sta op de grijze stenen in het midden van de speelplaats van het Technisch Instituut Heilige Elisabeth Grauwzusters Franciscanessen in Roeselare. Hier, op deze plek, op deze stenen, in dit vale licht van wolken en geen zon gaat een nieuw hoofdstuk beginnen. Ik draag een schort omdat het moet. De schort is lichtblauw, van synthetische stof, heeft een lengte tot net over de knie en gaat vanaf de heupen wat wijder open. Ze heeft lange mouwen die net te kort zijn. Over mijn borst gaat de schort in een V, in de rechterflank zit een gaatje waar een lint doorheen moet dat vervolgens op de rug wordt gestrikt. Op het rechterborstzakje staat mijn naam geborduurd; voornaam met daaronder familienaam. Het borduurwerk op de schort, in donkerblauw en in sierlijk aaneengeschreven letters zal het elegantste borduurwerk van de hele klas zijn. Het werd erop genaaid door buurvrouw Mieke die later tegen haar zin door mijn vader uit haar brandende garage werd gered. 

Voor me zie ik rode bakstenen wanden met hoge ramen, witte kozijnen eromheen. In de gebouwen zitten heel veel lokalen, gangen en trappen. In de gangen hangen lange smalle planken met metalen haken voor jassen en tassen. De trappen in het hoofdgebouw hebben terracottakleurige tegels, de trapleuningen zijn van hout. In het bijgebouw zijn de trappen belegd met zwarte en witte langwerpige tegels. Ik weet nog niet dat al die trappen steeds zwijgend betreden moeten worden en dat ze je ontzettend traag tot op de derde verdieping brengen nadat je onderweg de grote fotolijsten met koning Albert en koningin Paola hebt gezien en de gelakte lichtbruine kast met glas ervoor met daarachter de opgezette hermelijn met de scherpe tanden en de zwarte oogjes.  

Ik weet nog niet dat we op die trappen de strikken van elkaars schorten zullen lostrekken en daar strafstudie zullen voor krijgen. Ik weet ook nog niet dat ik op die trappen in de zomer onderweg naar een veel te warm lokaal het plan zal verzinnen om uit de les wiskunde te ontsnappen door voorover op mijn bank flauw te vallen.  

Ik sta op de grijze tegels van het Technisch Instituut Heilige Elisabeth Grauwzusters Franciscanessen in Roeselare. Ik ben vijftien jaar en ik denk dat ik een school heb gekozen die bij me past. 

(*) verkwoptjegidderierwokfrittn? – jaaaaaaa, zeg moa – eenklintjuvwotedjilnosjeblieft 

Pralines

De man kreeg van mijn Bomma voor zijn Nieuwjaar een doos artisanale pralines uit Kortrijk. De doos is in een witte plastic zak vanuit België naar Nederland gekomen, op het karton zat een etiketje geplakt met daarop: Voor WJ. Onder het brede bruine lint met strik dat om de doos zat, stak de afgescheurde klep van een envelop, daarop stond: Van Bommamie. De man stak de doos met envelopflap en al bovenin een keukenkast.  

Toen ik op een avond alleen thuis was, omdat de man eens een avond met rust gelaten wilde worden, heb ik de doos opengemaakt. Bij het losmaken van het lint bleek de tooi ingewikkelder ineen te zitten dan ik dacht. Het lint bestond uit een kort en een lang stuk, daaraan hing een strik gemaakt van papier en een netje waarin een kleine gouden kerstbal was gelegd. Het balletje rolde gelijk het aanrecht af, ving ik op ter hoogte van mijn knie. Ik draaide de doos op de kop, maakte de vier flappen van de bodem los. Vanonder het dikke kartonnetje dat tevoorschijn kwam, haalde ik met duim en wijsvinger drie pralines tevoorschijn: een rechthoekje met een halve walnoot erop, een zwarte paardenkop met witte manen en een grillig rondje met in oranje lijnen een cacaoboon. De bodem van de doos vouwde ik vlot weer dicht, het lint in twee delen, de compositie van strik en net en bal kreeg ik er enkel slap en een beetje triestig weer omheen gedraaid.  

Met een schoteltje met de drie pralines erop ben ik op de grond voor het haardvuur gaan zitten. Ik heb ze heel traag opgegeten en ondertussen de kleren bekeken die ik droeg. Een felgroene gebreide trui, een vierkant vlak eigenlijk met enkel een gat voor het hoofd, gevonden in de kringwinkel – daaronder een oude roze t-shirt met lange mouwen, ik draag het om in te slapen, er zit een gat in een van de oksels – ik had ook mijn pyjamabroek al aan, een lange donkerblauwe, van een goed merk, ik kreeg die van de Bomma, zij droeg hem niet graag, de Bomma is een meter zestig, de broek eindigt ergens halverwege mijn kuiten – verder droeg ik dikke grijze sokken met een esdoornblad op. Mijn Crocs stonden naast me en werken dus niet mee om het totaalbeeld te vormen. Ik dacht aan de moeder van een vriendin. Toen we tieners waren, zaten de vriendin en ik in haar keuken aan de lange witte eettafel, elk met een glas water voor ons. De aanleiding herinner ik me niet meer, maar de moeder zei plots: Het is belangrijk dat ge ten alle tijde verzorgd oogt, ook als ge gewoon thuis zijt en denkt dat niemand op bezoek zal komen. Altijd als ik mezelf en mijn outfits bekijk op momenten dat ik gewoon thuis ben en denk dat er niemand op bezoek zal komen, moet ik denken aan die uitspraak, voel ik mij kortstondig een slons.  

Ik kreeg een bericht van de man: hij komt eerder thuis van zijn avond alleen, vraagt of ik al zal slapen. Ik wist dat hij dat vroeg omdat zijn avond-alleen mislukt als ik nog wakker ben. Ik antwoordde dat ik denk dat ik nog wakker zal zijn, maar dat ik zal doen alsof ik hem niet zie en niet tegen hem zal praten.  

Ik googlede op homewear-broek-lange-benen, vond sites vol begrip en beloftes: Lange vrouwen; voor jullie is het altijd lastig om broeken te vinden die niet te kort zijn, wij helpen je!  – Ervaar nu het hemelse geluk van een passende damesbroek, jij long legged chick! – Tall girl ahoy! Dit wordt je nieuwe jeans! Ik noteerde enkele modellen en prijzen op een briefje dat ik de volgende dag al niet meer terug zou vinden.  

Toen kreeg ik weer een bericht: dat hij de trein heeft gemist, meer dan een uur moet wachten op een koud station, dat zijn boek net uit is en dat hij hoopt dat ik nog wakker ben als hij thuiskomt.

 

 

De boeken

Er is een vriendin op bezoek. Zij en ik zouden er een dag op uitgaan, terwijl man en muis zich samen vermaken. Doordat muis de laatste tijd omringd wil zijn door alle partijen die haar lief zijn, geraken wij in de ochtend het huis niet uit. Rond het middaguur trek ik me op het perron moeizaam los uit haar kusjes en knuffels, een traan loopt bij het laatste nog-één-zoentje op me over. Ik voel de druppel koelen, drogen op mijn wang. Terwijl de treindeuren sluiten, hoor ik nog net hoe man haar tot bedaren tracht te brengen met de belofte aan een pannenkoek. Hij tilt haar op zijn schouders, ze spant zich weerbarstig als een plank.   

In de trein praten de vriendin en ik met een man uit het dorp. Hij draagt twee tassen vol van zelfgeschreven boeken. Met de dagen en de feesten is de hele voorraad ingepakt en in een vaart de winkel uitgevlogen. Hij brengt nu een nieuwe lading naar de stad. Ik breng de vriendin naar de stad, zal haar de markten laten zien, de winkels, het bruine café en de grachten die nu vol liggen met verlichte boten. Samen met de man met de tassen wandelen we richting het hart van de stad. Let op, zegt hij, hier ligt een drol, die lag er gisteren al, ik heb hem hier niet achtergelaten. De vriendin en ik vinden die uitspraak grappig, herhalen hem ‘s avonds terwijl we op de bank zitten met een bord rijst en groenten met curry.

Verder dan één boekhandel komen we die middag in de stad niet. Ergens tussen de drol en de drempel van de boekenwinkel bedenk ik in weinig woorden dat ik een vrij mens ben, ook in de stad, dat ik me niet zal laten stuwen door behoeftes aan bezit of op objecten geprojecteerde drang. Maar met boeken weet je ‘t nooit.  

Op de gelijkvloers houden we zowat elk kookboek in handen dat gezondheid, geluk en alles waarnaar wij verlangen, uitstraalt. Op de volgende verdieping lezen we titels van zelfhulpboeken die in rekken geordend en op tafels gestald zijn. Op onze arm groeit een stapel. Na een tijd worden we allebei een beetje flauw van de honger, in een zithoek wachten we op een cappuccino, eten eerst de koekjes, noemen de koffie lauw, maar toch oké. Ik krijg een foto toegestuurd van een vrolijke muis in een pannenkoekenhuis. Tijd en uur van thuiskomst nemen gelijk af in belang, ik leun achterover in de stoel, strek even mijn benen, kijk naar de man achter de toonbank. Hij draagt een strikje, wijst op vraag van een vrouw met uitgestrekte arm naar het rek met kunstboeken, de vrouw knikt, hij ritst een vel inpakpapier van de rol. De vriendin zegt dat ze niet alle boeken wil kopen die ze tussen onze koffies op tafel heeft gelegd. We bladeren door de boeken, lezen de flap, gaan diagonaal door de inhoudsopgave, lezen lukraak wat citaten aan elkaar voor, vellen oordelen:  Sorry, maar dit weten wij al! En Hier betaal ik geen achttien euro voor! Of Ga jij dat doen, tijdens een wandeling stilstaan om een steen te zoeken, mos te ruiken? 

De boeken die het niet halen, komen met een armzwaai op de tafels achter ons te liggen. Wat bij ons blijft, is beloftevol: Een boek dat volgens de achterzijde al velen heeft geholpen overeind te blijven in een wereld die overweldigt. Een werkboek met lees- en invuloefeningen over prikkels en grenzen. Verder nog een boek met twaalf korte hoofdstukken die je in twaalf maanden leiden naar een leven dat telt. Dat laatste boek zit ook in mijn kast, ik heb het nog niet gelezen. 

Hoe kan het dat je een boek soms heel erg en heel dringend wilt, het koopt en het dan toch niet leest, vraag ik. We weten het niet. Misschien omdat veranderen moeilijk is? Ik vertel een verhaal over een oudere man van wie niemand dacht dat hij ooit zou veranderen en plots … door één bezoek, één vraag van een kind kantelt hij compleet. Terwijl ik vertel, ga ik staan, beeld ik uit wat het kind deed, hoe het met drie vingers kort het ribfluweel op de knie van de man raakte, zich plooide tot het zat en maakte dat het niets miste van wat op zijn gelaat en in zijn gemoed gebeurde. De vriendin zwijgt, neemt het oor van het lege kopje, draait het naar zich toe, staart naar haar vingers, kijkt mij vervolgens aan en zegt: Alles is dus mogelijk. 

Ze betaalt haar boeken. Ik zeg nog dat we elk een cappuccino hebben gedronken, als ik dat niet had gedaan, dan was ie gratis geweest. In de trein stuur ik een bericht naar man: We zijn onderweg naar huis, alles is oké, ik heb niets gekocht, ook geen boeken.