Even naar de dokter

In de wachtkamer van de huisarts komt een man binnen die ik meteen herken. Hij kijkt me aan, het is niet duidelijk of hij mij ook herkent. Ik blijf kijken, hij ook. Hij gaat zitten, kijkt nog steeds, ik zeg: Wij herkennen elkaar. Hij kijkt, zegt niets. Ik zeg: U kijkt mij aan en ik u, dus ik denk dat wij elkaar herkennen. Een vrouw legt haar tijdschrift opzij, raakt geboeid. De man kijkt me aan, zegt nog steeds niets. Ik hou vol, krijg het een beetje warm. Wat zeg je, vraagt hij. Ik zeg: Zondagochtend, op een matje. Hij kijkt, zegt: Oh ja, daar.  Het is nog steeds niet duidelijk of hij mij herkent. Ik vraag of hij hier ook woont, in dit dorp. Ja, zegt hijeuh nee, eigenlijk niet. Hij noemt een ander dorp. Vlakbij. Een man met een gele jas komt binnen, we zeggen allen: Goeiemorgen. De man met de gele jas zoekt in een mand een magazine dat hem aanstaat, gaat naast me zitten en leest. Ik kijk weer naar de overkant, naar de man van de zondagochtend. Hij is actief op zijn mobiel, elke tik is hoorbaar. Nu komt er iemand naar beneden van een trap. Ik herken de tred van de huisarts, wakker en snel. Hij komt de wachtkamer binnen, kijkt mij aan en knikt, draait zich om en gaat alweer richting trap. De man met de gele jas, gooit het magazine weer in de mand en gaat achter de dokter aan. Ik neem mijn jas en tas, weet dat het mijn beurt is, kijk zondagochtend aan en zeg: die is helaas iets te snel. Zondagochtend lacht, de man met de gele jas komt terug, kijkt naar de grond.

Dag dokter, zeg ik, als we in zijn kamer zijn. De dokter klikt een bestand aan. Op de tafel staan drie stempels, een nietjesmachine en een rond potje met daarin heel erg veel paperclips. Middenin de paperclips staat een schaar rechtop. Terwijl de dokter leest, kijk ik door het raam, zie licht branden in het museumkantoor aan de overkant van de straat.

Als ik op de consultatietafel zit, drukt de dokter met drie vingers op mijn vel, ik geef aan wanneer dat pijn doet. Nee. Nee. Nee. Ja. –Hier? -Ja. -Hier? -Nee. -Hier dus? -Ja. –Oké.  Daarna toont de dokter op een skelet van gelakt hout over welke plek het gaat. Hij stelt een plan van aanpak voor, vanaf stap twee kan ik het al niet meer onthouden. Ik kijk weer naar het skelet, vind het prachtig. Buiten wandelt een vrouw met een hond aan de lijn over de stoep. Ze stapt met één voet in het gras.

Is er nog iets wat je wil bespreken, vraagt de dokter. Nee, dokter. Met de deurklink in mijn hand wisselen we nog wat verschillen uit tussen Belgen en Nederlanders. Tijdens elk consult breiden we dat lijstje uit. De uitsmijter laat ik meestal aan hem. Deze keer luidt die Een beetje zuiden in het noorden is goeddus blijf maar. Zal ik doen, dokter, zeg ik en ik ga, de brede trap af, de grote deur door. Waar zou ik na vijf jaar heen kunnen, vraag ik me af en kijk een seconde naar de vlakken en lijnen op een geografische kaart in de hal. Ik denk nog even aan de man van de zondagochtend, vraag me af of hij nog in de wachtkamer zit en of we elkaar overmorgen zullen zien en wie dan als eerste zal knikken. Ik ga twee deuren door en sta op de stoep. Ik kies links, steek de straat over, tik het witte hekje bij de museumtuin aan, zie in de kamer van een vriendin een wasrek met handdoeken, ga rechtsaf, wandel over het smalle pad. De konijnen die naast het pad hun plek hebben, zijn er niet. Ook hun hok is weg, heeft een bleke afdruk gelaten in ‘t gras. Wellicht genieten ze tijdens de kille maanden van warme binnenlucht, mogen misschien zelfs af en toe bij een kind of een moeder op schoot op de bank. De chansaars.

De schort

Ik woon nu bijna vijf jaar in Nederland. Het sentiment voor al wat Vlaams is, neemt met de jaren toe. Als ik familie in mijn geboortestreek bezoek, door de straten van mijn studentenstad wandel of in de buurt kom van de plek waar ik werkte, vertraag ik mijn pas, ga ik anders kijken. Met een treinkaartje in de hand, rugzak over een schouder, sta ik op het perron te wachten. Ik draai om mijn as, zie op een blauw inlichtingenbord een lik verf met daaronder de contouren van een diertje dat ik er ooit op tekende, ik zie het frietkot waar we vroegen of ze ook frieten verkochten en toen gierend een kleintje bestelden om te delen (*), ik zie dat de man die het gordijn achter het loket neerlaat nog steeds dezelfde is, ik zie dat de kauwgomballenbak is verdwenen. Ik stap op de trein, neem de route van thuis naar de school waar ik mijn tienerjaren doorbracht. De vertrouwde warme lucht in de wagon, het fietspad naast het spoor, de platanen op een rij, oude en nieuwe graffiti, het fabriekspand voor de fuiven waar ik niet heenging, de stadskern die dichterbij komt, de winkels, alleen Asalamsupermarkt en de tegels op het plein zijn nieuw. En dan links, rechts, weer links, rechts en nog een keer links tot … 

Ik sta op de grijze stenen in het midden van de speelplaats van het Technisch Instituut Heilige Elisabeth Grauwzusters Franciscanessen in Roeselare. Hier, op deze plek, op deze stenen, in dit vale licht van wolken en geen zon gaat een nieuw hoofdstuk beginnen. Ik draag een schort omdat het moet. De schort is lichtblauw, van synthetische stof, heeft een lengte tot net over de knie en gaat vanaf de heupen wat wijder open. Ze heeft lange mouwen die net te kort zijn. Over mijn borst gaat de schort in een V, in de rechterflank zit een gaatje waar een lint doorheen moet dat vervolgens op de rug wordt gestrikt. Op het rechterborstzakje staat mijn naam geborduurd; voornaam met daaronder familienaam. Het borduurwerk op de schort, in donkerblauw en in sierlijk aaneengeschreven letters zal het elegantste borduurwerk van de hele klas zijn. Het werd erop genaaid door buurvrouw Mieke die later tegen haar zin door mijn vader uit haar brandende garage werd gered. 

Voor me zie ik rode bakstenen wanden met hoge ramen, witte kozijnen eromheen. In de gebouwen zitten heel veel lokalen, gangen en trappen. In de gangen hangen lange smalle planken met metalen haken voor jassen en tassen. De trappen in het hoofdgebouw hebben terracottakleurige tegels, de trapleuningen zijn van hout. In het bijgebouw zijn de trappen belegd met zwarte en witte langwerpige tegels. Ik weet nog niet dat al die trappen steeds zwijgend betreden moeten worden en dat ze je ontzettend traag tot op de derde verdieping brengen nadat je onderweg de grote fotolijsten met koning Albert en koningin Paola hebt gezien en de gelakte lichtbruine kast met glas ervoor met daarachter de opgezette hermelijn met de scherpe tanden en de zwarte oogjes.  

Ik weet nog niet dat we op die trappen de strikken van elkaars schorten zullen lostrekken en daar strafstudie zullen voor krijgen. Ik weet ook nog niet dat ik op die trappen in de zomer onderweg naar een veel te warm lokaal het plan zal verzinnen om uit de les wiskunde te ontsnappen door voorover op mijn bank flauw te vallen.  

Ik sta op de grijze tegels van het Technisch Instituut Heilige Elisabeth Grauwzusters Franciscanessen in Roeselare. Ik ben vijftien jaar en ik denk dat ik een school heb gekozen die bij me past. 

(*) verkwoptjegidderierwokfrittn? – jaaaaaaa, zeg moa – eenklintjuvwotedjilnosjeblieft 

Pralines

De man kreeg van mijn Bomma voor zijn Nieuwjaar een doos artisanale pralines uit Kortrijk. De doos is in een witte plastic zak vanuit België naar Nederland gekomen, op het karton zat een etiketje geplakt met daarop: Voor WJ. Onder het brede bruine lint met strik dat om de doos zat, stak de afgescheurde klep van een envelop, daarop stond: Van Bommamie. De man stak de doos met envelopflap en al bovenin een keukenkast.  

Toen ik op een avond alleen thuis was, omdat de man eens een avond met rust gelaten wilde worden, heb ik de doos opengemaakt. Bij het losmaken van het lint bleek de tooi ingewikkelder ineen te zitten dan ik dacht. Het lint bestond uit een kort en een lang stuk, daaraan hing een strik gemaakt van papier en een netje waarin een kleine gouden kerstbal was gelegd. Het balletje rolde gelijk het aanrecht af, ving ik op ter hoogte van mijn knie. Ik draaide de doos op de kop, maakte de vier flappen van de bodem los. Vanonder het dikke kartonnetje dat tevoorschijn kwam, haalde ik met duim en wijsvinger drie pralines tevoorschijn: een rechthoekje met een halve walnoot erop, een zwarte paardenkop met witte manen en een grillig rondje met in oranje lijnen een cacaoboon. De bodem van de doos vouwde ik vlot weer dicht, het lint in twee delen, de compositie van strik en net en bal kreeg ik er enkel slap en een beetje triestig weer omheen gedraaid.  

Met een schoteltje met de drie pralines erop ben ik op de grond voor het haardvuur gaan zitten. Ik heb ze heel traag opgegeten en ondertussen de kleren bekeken die ik droeg. Een felgroene gebreide trui, een vierkant vlak eigenlijk met enkel een gat voor het hoofd, gevonden in de kringwinkel – daaronder een oude roze t-shirt met lange mouwen, ik draag het om in te slapen, er zit een gat in een van de oksels – ik had ook mijn pyjamabroek al aan, een lange donkerblauwe, van een goed merk, ik kreeg die van de Bomma, zij droeg hem niet graag, de Bomma is een meter zestig, de broek eindigt ergens halverwege mijn kuiten – verder droeg ik dikke grijze sokken met een esdoornblad op. Mijn Crocs stonden naast me en werken dus niet mee om het totaalbeeld te vormen. Ik dacht aan de moeder van een vriendin. Toen we tieners waren, zaten de vriendin en ik in haar keuken aan de lange witte eettafel, elk met een glas water voor ons. De aanleiding herinner ik me niet meer, maar de moeder zei plots: Het is belangrijk dat ge ten alle tijde verzorgd oogt, ook als ge gewoon thuis zijt en denkt dat niemand op bezoek zal komen. Altijd als ik mezelf en mijn outfits bekijk op momenten dat ik gewoon thuis ben en denk dat er niemand op bezoek zal komen, moet ik denken aan die uitspraak, voel ik mij kortstondig een slons.  

Ik kreeg een bericht van de man: hij komt eerder thuis van zijn avond alleen, vraagt of ik al zal slapen. Ik wist dat hij dat vroeg omdat zijn avond-alleen mislukt als ik nog wakker ben. Ik antwoordde dat ik denk dat ik nog wakker zal zijn, maar dat ik zal doen alsof ik hem niet zie en niet tegen hem zal praten.  

Ik googlede op homewear-broek-lange-benen, vond sites vol begrip en beloftes: Lange vrouwen; voor jullie is het altijd lastig om broeken te vinden die niet te kort zijn, wij helpen je!  – Ervaar nu het hemelse geluk van een passende damesbroek, jij long legged chick! – Tall girl ahoy! Dit wordt je nieuwe jeans! Ik noteerde enkele modellen en prijzen op een briefje dat ik de volgende dag al niet meer terug zou vinden.  

Toen kreeg ik weer een bericht: dat hij de trein heeft gemist, meer dan een uur moet wachten op een koud station, dat zijn boek net uit is en dat hij hoopt dat ik nog wakker ben als hij thuiskomt.

 

 

De boeken

Er is een vriendin op bezoek. Zij en ik zouden er een dag op uitgaan, terwijl man en muis zich samen vermaken. Doordat muis de laatste tijd omringd wil zijn door alle partijen die haar lief zijn, geraken wij in de ochtend het huis niet uit. Rond het middaguur trek ik me op het perron moeizaam los uit haar kusjes en knuffels, een traan loopt bij het laatste nog-één-zoentje op me over. Ik voel de druppel koelen, drogen op mijn wang. Terwijl de treindeuren sluiten, hoor ik nog net hoe man haar tot bedaren tracht te brengen met de belofte aan een pannenkoek. Hij tilt haar op zijn schouders, ze spant zich weerbarstig als een plank.   

In de trein praten de vriendin en ik met een man uit het dorp. Hij draagt twee tassen vol van zelfgeschreven boeken. Met de dagen en de feesten is de hele voorraad ingepakt en in een vaart de winkel uitgevlogen. Hij brengt nu een nieuwe lading naar de stad. Ik breng de vriendin naar de stad, zal haar de markten laten zien, de winkels, het bruine café en de grachten die nu vol liggen met verlichte boten. Samen met de man met de tassen wandelen we richting het hart van de stad. Let op, zegt hij, hier ligt een drol, die lag er gisteren al, ik heb hem hier niet achtergelaten. De vriendin en ik vinden die uitspraak grappig, herhalen hem ‘s avonds terwijl we op de bank zitten met een bord rijst en groenten met curry.

Verder dan één boekhandel komen we die middag in de stad niet. Ergens tussen de drol en de drempel van de boekenwinkel bedenk ik in weinig woorden dat ik een vrij mens ben, ook in de stad, dat ik me niet zal laten stuwen door behoeftes aan bezit of op objecten geprojecteerde drang. Maar met boeken weet je ‘t nooit.  

Op de gelijkvloers houden we zowat elk kookboek in handen dat gezondheid, geluk en alles waarnaar wij verlangen, uitstraalt. Op de volgende verdieping lezen we titels van zelfhulpboeken die in rekken geordend en op tafels gestald zijn. Op onze arm groeit een stapel. Na een tijd worden we allebei een beetje flauw van de honger, in een zithoek wachten we op een cappuccino, eten eerst de koekjes, noemen de koffie lauw, maar toch oké. Ik krijg een foto toegestuurd van een vrolijke muis in een pannenkoekenhuis. Tijd en uur van thuiskomst nemen gelijk af in belang, ik leun achterover in de stoel, strek even mijn benen, kijk naar de man achter de toonbank. Hij draagt een strikje, wijst op vraag van een vrouw met uitgestrekte arm naar het rek met kunstboeken, de vrouw knikt, hij ritst een vel inpakpapier van de rol. De vriendin zegt dat ze niet alle boeken wil kopen die ze tussen onze koffies op tafel heeft gelegd. We bladeren door de boeken, lezen de flap, gaan diagonaal door de inhoudsopgave, lezen lukraak wat citaten aan elkaar voor, vellen oordelen:  Sorry, maar dit weten wij al! En Hier betaal ik geen achttien euro voor! Of Ga jij dat doen, tijdens een wandeling stilstaan om een steen te zoeken, mos te ruiken? 

De boeken die het niet halen, komen met een armzwaai op de tafels achter ons te liggen. Wat bij ons blijft, is beloftevol: Een boek dat volgens de achterzijde al velen heeft geholpen overeind te blijven in een wereld die overweldigt. Een werkboek met lees- en invuloefeningen over prikkels en grenzen. Verder nog een boek met twaalf korte hoofdstukken die je in twaalf maanden leiden naar een leven dat telt. Dat laatste boek zit ook in mijn kast, ik heb het nog niet gelezen. 

Hoe kan het dat je een boek soms heel erg en heel dringend wilt, het koopt en het dan toch niet leest, vraag ik. We weten het niet. Misschien omdat veranderen moeilijk is? Ik vertel een verhaal over een oudere man van wie niemand dacht dat hij ooit zou veranderen en plots … door één bezoek, één vraag van een kind kantelt hij compleet. Terwijl ik vertel, ga ik staan, beeld ik uit wat het kind deed, hoe het met drie vingers kort het ribfluweel op de knie van de man raakte, zich plooide tot het zat en maakte dat het niets miste van wat op zijn gelaat en in zijn gemoed gebeurde. De vriendin zwijgt, neemt het oor van het lege kopje, draait het naar zich toe, staart naar haar vingers, kijkt mij vervolgens aan en zegt: Alles is dus mogelijk. 

Ze betaalt haar boeken. Ik zeg nog dat we elk een cappuccino hebben gedronken, als ik dat niet had gedaan, dan was ie gratis geweest. In de trein stuur ik een bericht naar man: We zijn onderweg naar huis, alles is oké, ik heb niets gekocht, ook geen boeken. 

Wat soep kan doen

Een tijd geleden las ik op Facebook een bericht van een dorpsgenote. Ze beschreef daarin hoe ze op een nacht wakker schrok van een hard geluid. Het bleek haar man te zijn die in het donker van de trap was gedonderd. Hij lag met allerlei mankementen op de kille tegels en met de kin op de laatste trede. In het bericht beschreef ze ook hoe ze zich nu in de immobiliteit en de schok trachten te bewegen en wachten tot alles zich weer hecht en recht.

Ik heb haar toen in een mailtje sterkte gewenst en me afgevraagd of ik nog meer te schrijven had dan dat. Na een kort twijfelmoment heb ik ook wat bescheiden hulp aangeboden. Die hulp presenteerde ik onder andere als volgt – ik heb het gauw nog even opgezocht, maar had het wel degelijk goed onthouden: Misschien kan ik jullie eens een vers soepje brengen?

Op dat bericht van mij is nooit reactie gekomen. En nu ik er zo over nadenk, begrijp ik dat. Hoe en wanneer reageer je ook op zo’n aanbod?

Je kan er gelijk opspringen, met een soort hijgerig enthousiasme: Ooooh ja, lekker, kan je die soep anders zo snel mogelijk brengen, we verwachten gasten vanavond en een beetje extra soep is dan niet verkeerd, zorg je ook dat ie vegetarisch is, kan niemand moeilijk over doen, alvast bedankt!

Je kunt ook het risico en het ongemak voelen, denken: Ja, lief mens, dat is vriendelijk, maar wij kennen u nauwelijks, wij hebben uw soep nog nooit geproefd en de toestand van uw keuken nog niet gezien. En we willen u ook niet lastigvallen.

Nee serieus, wanneer besluiten een man en een vrouw dat het moment daar is waarop ze door alle hulpbronnen in naaste kring heen zijn, dat er niets anders opzit zich te wenden tot het soepvrouwtje uit het dorp? Misschien als ze rond een uur of vijf uitgeput op de bank liggen? Nog geen voorbereidingen hebben getroffen voor het avondmaal en ook geen vooruitzicht hebben op de start daarvan? Ze waren immers de hele dag druk in de weer met schuifelen en steunen, pijnen verbijten en positief willen zijn. Na een kort overleg stellen ze vast dat dit nu toch wel een noodgeval is en dus het geschikte moment om mij te vragen. Zij weet met vermoeide arm de telefoon te vinden, kan me godzijdank meteen bereiken, knikt hem met telefoon aan het oor glimlachend toe als ik positief reageer. Ik klap vervolgens laptop dicht, noteer op een briefje twee zinnen die ik niet wil vergeten en bind mezelf in de keuken een schort voor. In een razend tempo hak ik twee sjalotten, een ui, een teentje look, het wit van een prei, een halve pompoen, drie wortels en een rode paprika fijn. In de grote pot wordt de olie warm, smelt een klontje boter, ik stoof de ui en looksoorten glazig, voeg vervolgens de rest van de groenten toe. Als alles goed gaar is, gaat er kokend water en een koffielepel groentebouillon van Alfred Vogel bij. Ik laat het geheel nog even koken, mix alles en klaar. Daarna schuifel ik op Crocs, in flodderbroek en witte badjas met roze hartjes – want hé, ik was ook gewoon druk aan het werk thuis – door het dorp naar het hulpbehoevende koppel. In mijn hand de helft van de soep in een steelpannetje dat ik later die week dan wel kom ophalen of een hoog rond doorzichtig plastic bakje met wit deksel dat ze mogen houden.

Het kan natuurlijk ook dat zij dat mailtje nooit hebben gelezen, dat zij vooral bezig waren met de vraag of de man ooit nog lang genoeg zal kunnen staan om zelf zijn soep ineen te draaien, zijn schort te knopen … Of dat zij de briefjes en berichten bij ’t ontbijt wel dankbaar lazen, maar ook met halve ogen omdat zij net weer zag hoe lang zijn weg van bed naar stoel en hij niet wilde kijken toen zij daar gebogen op de planken zijn veters strikte.

Later kwam ik de vrouw nog tegen – zij liet haar thee en ik mijn taart – en over dit en dat en toen kwam ook mijn soep ter sprake. En dat ik dat van mezelf zo’n onnozel voorstel vond en plots aan mijn bompa moest denken. Die zou gewoon de soep sebiet hebben gemaakt (lees: laten maken) en die gewoon sebiet hebben gebracht, zonder boe of ba, geen voorstel of vraag, en hij zou er gewoon nog een soepabonnement bovenop hebben gezwierd – pas de discussion.  De vrouw zucht en zegt dat zij nooit heeft gelezen, geweten van de soep, dat ik bedankt ben – lief –  maar die soep nu wel mag vergeten, geen probleem.

Kan dat allemaal niet een beetje simpeler, vraag ik me af wanneer ik naar huis stap. En plots moet ik bijna huilen, bij een beeld van bompa en zijn doen, bij man en vrouw die terug willen naar van voor de val, bij dat het nu nog begint te regenen ook, bij mijn dochtertje die konijnen van vreemden eten wil geven, haar vingertjes te dicht bij hun tanden brengt en dat ik wou dat ik een tijd geleden gewoon met mijn pannetje en mijn Crocs door het dorp was geslefferd.

 

De bel gaat

Er zijn mensen, roept ze, rent richting deur. Ze draait zich na twee stappen alweer om: mama, mij optillen.  Ik zie door het raam de deur van buurman openstaan.

Buurman staat voor de deur, leunt met één voet op onze drempel en met een hand tegen de muur, hij reikt mij een donkerblauw boekje aan. Dit is jouw boek, zegt hij. – Nee, hoor, zeg ik, dat is het niet. – Toch wel, zegt hij. – Nee, zeg ik, maar kom even binnen, het is koud. Dat wil hij niet. Het gaat trouwens niet goed, zegt hij. – Kom dan toch binnen, vraag ik weer. – Neen, zegt hij, draait zich om richting overkant van de straat en zegt: Nu ga ik weer, mijn deur is open. Ik vraag nog of hij echt denkt dat ik hem dat boekje heb geleend. Neen, maar het is jouw boekje, lees het, je zult het merken, het is jou.

Ik leg het boekje bovenop enkele andere. Bovenop De troost van de filosofie en Gedichten voor de kleine reus. 
Buurman is erg lief, zeg ik tegen de kleine op mijn arm.
Hij is ziek, zegt zij.
Ja?!, vraag ik.
Ja.

Ik ruik dat de risotto in de keuken bouillon nodig heeft. Ik giet en zie de korrels onder water gaan. Achter me gaat zij ook bezig. Ze trekt de dop van een stift, leunt met een arm op haar tafeltje, en vult een poes in een boek.

Gaan wij ook eens een cadeau geven aan buurman?, vraag ik.
Ja, zegt ze, het hoofd schuin over haar werk gebogen, de dikke blauwe stift gaat heen en weer tussen zwarte lijnen.
Wil jij dan iets voor hem kleuren?
Ja. En ik ga niet dankjewel zeggen.
Nee?
Nee. Ga jij dat zeggen, mama?
Ja, lieverd, ik zal dankjewel zeggen.
En ook alsjeblieft?
Ja, lieverd, en ook alsjeblieft.

(wordt vervolgd)

Nu moet het gebeuren

Die mooie paarse bollen op die lange stelen, hoe heten die, vraag ik.

Dat is alium, zegt plantman en ik herhaal zijn antwoord.

Wanneer plant je die, vraag ik?

Nu!

Nu?

Ja! De mensen maken in de lente huizen schoon en dan daarna ook hun tuin. Da’s verkeerd. Dan zien ze hun tuin als een verlengde van hun huis. Da’s verkeerd. Nu moet het gebeuren, nu, in de herfst.

Ik zit te luisteren, kijk naar plantman en naar een volle kop gloeiende thee en zie mezelf op handen en knieën tussen de aarde en het gewas zitten. Met drift trek ik overbodig en woekerend kruid uit de grond, hardnekkige doorwreters en koppigaards, wortels van venijn, weg. Plaats voor ander leven, schoon leven. Dat leven zit nu nog samengebald in ruwe knolletjes in bruine papieren zakken met daarop een foto van wat het allemaal kan worden. Ik wil naar huis, thee moet afkoelen. Ik wil naar huis en eraan beginnen. Ik wil aarde ruiken, pijnlijke knieën krijgen, vuile vingers van toewijding. Ik wil eraan beginnen.

Terwijl ik me met slapende baby en verbrande tong door de straten haast en hoi links en rechts en hand in de lucht en doorgaan, zie ik aan een razend tempo en in flitsen ineens ook al mijn kasten, met openzwaaiende deuren, vrij zicht op slordig gestapelde noodzakelijkheden en verzamelde niet-noodzakelijkheden. In kruipruimtes: dozen vol kleding voor elk seizoen, veel te veel voor driehonderdvijfenzestig dagen gedeeld door vier. En alle boeken die ik verzamelde, kocht, las en niet las, persé wilde omdat ze toen hoorden bij dát seizoen van mijn leven.

Ik snel nu naar een opgeruimde tuin en toekomst, helder licht valt op soepele kluiten en binnen in kamers vol essentie-echtheid-waarheid. Het hoofd en de handen, ineens bevrijd van ballast en bagage, klaar voor ontvangen. De wielen van de kinderwagen hobbelen over bolsters die openspringen en hun kastanjes over de keien laten kletsen. Het hakje van mijn schoen wiebelt, wankelt bovenop een wilde of een tamme. Mijn enkel schudt, knie slaat bruut naar de andere toe, ik leun naar voren, rem mezelf tegen het handvat van de wagen. In een ruit met witte gordijnen zie ik mijn overdreven zelf en vraag me af wie haar ook heeft gezien. Die zal wel denken: Zie dat mens en ze viel nog bijna ook.

Door de volgende ruit zie ik hoe een vrouw aan een ovalen tafel papieren sorteert, man en zoon op de bank televisie kijken. Mijn kind slaapt door. Ik duw haar zachtjes ons huis binnen, rijd haar door de keuken naar buiten, zet haar beschut neer. Ik open onder het afdak een deur, haal de papieren zakken tevoorschijn. Lees de datum bij de knollen, ze zouden eigenlijk al twee jaar geleden moeten zijn gebarsten. Ik zucht. Zou ik dat nog wagen? Moeite doen voor wat misschien in de kiem al is gebroken? Ik scheur de zakken open, ga zitten op knieën, ruk met handen in handschoenen nazaten van een enerverende wemelaar uit, gooi de kluiten achter me op een hoop, woel aarde om, maak holletjes voor de bolletjes, leg ze er met plots trillende vingers in, voel een geforceerde spier in mijn nek. Ik maak de kuiltjes dicht, vul een gieter bij de regenton, giet staand, traag en met beheerst ge-adem water over wat ik heb geplant. We zullen het zien, zeg ik fluisterend, terwijl ik de keuken binnenstap. Met de handschoenen nog aan open ik de vaatwasser. Écht! – zeg ik tegen mijzelf, doé – niét – zó! Terug buiten leg ik de handschoenen op tafel en hoor ik geluiden van wakker worden uit de wagen. Nu stopt alles, vult alles zich met haar in vertraging, verzadiging. Ik draag haar naar binnen, sluit deuren, de rug naar de tuin, de vaat en het prangen van de dingen. Ik leg haar tussen mijn benen op een kleed, maak vuur aan, buig voorover, streel haar neus met mijn neus, ga dan naast haar liggen, op een zij, met opgetrokken knieën, leun met mijn hoofd op een arm, andere arm zacht over haar lijfje, ik kijk over haar haartjes naar de kachel, land en lach in de vlammen omdat zij alles uit mijn handen laat vallen.