Later

Het kaartje kocht ik tien jaar geleden in een muffe winkel in Borgerhout. Het is één uit een setje van drie. Het papier streel ik al sinds de basisschool, mijn ouders hadden het liggen al van voor ik was geboren. Ik bewaar ze allebei voor een bijzondere gelegenheid die zich niet voordoet onder het gewicht van mijn verwachtingen en mijn gevoel voor láter.

Tijdens het verjaardagsontbijt schrik ik me te pletter. Tussen neus en croissant wordt iets naar me toegeschoven. De man bleek de kaart en het papier achteloos uit de kast te hebben getrokken. Ik denk nee dat kan niet, dat is voor.

Nu ik de achterkant van de kaart al tien keer heb gelezen en dapper vorder in het boek dat in bloemetjes was verpakt, vind ik het meer dan mooi wat is gebeurd. Mijn later heeft me ingehaald, is als een boemerang naar me toegevlogen, heeft me een tik vooruit gegeven. Merci, é!

img_3133

 

De twee puzzelaars

Ze zitten naast elkaar aan tafel. De kleine heeft de benen onder zich geplooid, leunt voorover, steunt met de ellebogen op het tafelblad. De grote legt de handen te rusten op haar wiebelende benen, hielen gaan op en neer, de toppen van de schoenen blijven op het tapijt.

Ze zitten daar elk met een puzzel. De kleine met een grote van meer dan zestig stukken, de grote met een kleintje van twintig. De kleine zet de doos rechtop, het beeld van wat het moet worden voor zich. Voor de grote schud ik de twintig stukken uit het doosje. Kijk, zeg ik, er staat een tijger op, met haar welpje.

Even kijken waar pap is, antwoordt de grote.

Pap staat in de keuken, schenkt sap, brengt voor de kleine en de grote puzzelaar een glas, zet het neer op groene onderzettertjes. Zo komen er geen kringen, blijft de tafel schoon. De grote neemt het glas, drinkt het tot de bodem leeg. De kleine ordent de puzzelstukken. Links die van de buitenkant, rechts die voor het midden. Die met de tijger mag jij maken, hoor, oma, zegt de kleine. Ik zou wel een glaasje sap lusten, zegt oma.

De kleine zoekt de vier hoeken, legt ze voor zich neer.

Gisteren kwam hier een man, vertelt oma, en die gooide zomaar alle stukken op de grond! Zoiets doe je toch niet? Nee, zeg ik, zoiets doe je niet.

Eerst de randjes, oma, dan de binnenkant, zegt de kleine.

Nee, zegt oma.

Oma neemt het doosje met de tijgers, legt het op de rand van de tafel, fluistert in mijn richting: Die is leeg. Zat chocolade in. De kleine staat op, neemt even een pauze van het puzzelen, gaat rondjes dansen rond de bank, steekt een arm in de lucht en zingt.

Wat is dat een vrolijk kind, zegt oma, het is erg belangrijk dat je vrolijk bent.

De kleine werkt haar puzzel af, Kom eens kijken! Ze schuift de puzzel voorzichtig in de doos, doet het deksel erop. Oma komt niet kijken, stampt met een voet op de grond en sist tegen het raam: Zo wil ik niet meer!  Ze haalt haar neus op, de kleine draait zich om: Wat is er, oma?

Ik ga maar even kijken waar pap is, zegt oma. Pap staat op, laat zijn krant liggen, neemt oma’s bril van haar neus en gaat die schoonmaken. Ik zie jullie toch zo schimmig zonder bril, zegt ze, maar ik weet wel dat jullie hier zijn. Dat weet ik echt wel.

 

Een tip

Sommige mensen dragen altijd zwarte kleren. Dat is voor het gemak, zeggen ze als je hen ernaar vraagt, t combineert goed. Of het hoorde ooit bij hun muziek en nu gewoon bij hun kleerkast. Of het is gegaan zonder noembare reden, plots waren alle kleren zwart en nu stappen ze daar niet meer vanaf. In mijn straat woont ook zo iemand, altijd in ’t zwart. Waarom weet ik niet, maar ik denk iets met weinig moeite en afleiding. Rust, dus. Wat ik wel van haar weet, is dat ze elke dag bananen eet. Dat heeft ze me verteld in de winkel, toen onze karren botsten en ik in de hare een berg bananen zag. We stonden wat in elkaars karren te staren, zwaaiden samen naar een gedeelde kennis en deelden nog wat over de traagheid of snelheid van de tijd en over hoe één woord een hele dag kan bepalen – zoals vertrek of  verstomd of verandering en hoe je dan weer tijd nodig hebt om bij te komen en dat die tijd er dan net niet is. En dat het fijn is zo tegen elkaar aan te botsen en vrijer dan plannen om te praten. Ik keek naar het stuk biologische zalm in mijn kar: €7,78. Zal ik je een bericht sturen met een tip, vroeg ze, voor als je binnenkort nog eens wat moois wil zien? Doe maar, zei ik. Tot ziens.  

Met de tip op een briefje rij ik enkele kilometers richting een schuur vol stenen. Het is er koud, maar in het midden warm. Daar straalt een kachel en een vrouw met een dikke vest en handschoenen zonder vingers. Ze kijkt hoe mensen kijken. Naar stenen die zij heeft gezocht, gebeiteld en geordend. De stenen zijn rechthoekig, ruw rondom. In het gladde bovenvlak staan woorden: vloed – vogels – rood – samen – adem – plotseling  – … Alle stenen naast en onder elkaar vormen wat de kijker wil: een zin, een zucht of iets wat was vergeten. Soms verdwijnt een woord uit een regel – gaat naar een vriend, een minnaar, een moeder – en ontstaat een nieuw verhaal. Of ik chocomelk wil, vraagt ze. Of het ook thee kan zijn, vraag ik. Dat kan. Over enkele dagen verdwijnt weer een woord uit het geheel. Dan gaat het naar een kijker die op papier kon zeggen wie de steen verdient. Ik ga aan een tafel zitten en schrijf iemand de steen toe. Mijn pen schiet uit mijn hand door de kou. Ik druk mijn vingertoppen tegen de thee.  

Weer bij een winkel. In het stuk tussen binnen en buiten loop ik tegen de vrouw uit mijn straat die altijd in ’t zwart. De schuifdeuren gaan open en dicht, raken ons elk op een arm, zetten ons stil, porren ons tot we kiezen voor buiten en tijd voor elkaar. Achter haar heg en gordijnen van riet is laatst haar poes gestorven, zegt ze. De poes ligt onder de grond, wordt gemist, maar geeft nu vrijheid. Nu kan er bewogen worden zonder dat er van alles moet worden geregeld en dat komt nu goed uit. Ik vertel over hoe de botsing met de bananen en het bericht met de tip me bewogen naar de stenen. En dat ik daar heb geschreven en wat later de steen heb gekregen om door te geven. Die laatste beweging was klein, ik schoof de steen gewoon naar de man die dichtst bij me staat. We zijn hem samen in de warme koude schuur gaan halen. In de keuken naast de schuur lag een lam in een kuip. Het was die nacht geboren, kreeg van de moeder enkel stompen en lag nu zoet te overleven op wat stro. Ons eigen lam was ook mee, keek ernaar en trachtte linken te leggen tussen pratende schapen in boeken en dat wat daar nu tussen mensen lag en melk kreeg uit een fles. Terug in de schuur kreeg de man de steen en las ik voor waarom. Hij stond er bij en probeerde linken te leggen tussen mij en zichzelf, terwijl ons lam haar vingers tussen de schuurdeur stak. Met een klein blauw duimpje en een steen met LENTE erop reden we terug naar huis. De steen heeft enkele dagen binnen, buiten, hoog en laag gelegen, de man zocht een plek waarop de steen sprekend stil kon zijn. Nu ligt de LENTE aan onze voeten, tussen de prei en de tijm. Als het regent wordt de L donker en wacht de ENTE bleek tot het weer droog wordt. In die tijd verzinnen wij vervolgen voor de L zoals ’t ons past: lam – long – lip, leven – linken – laven, lief – lengte – lijf.  

Wat mooi, zegt de vrouw in ’t zwart, en dat dat zo kan gaan. Dat een hele rij van dingen dan zomaar zorgen voor lente op een plek. En dan zwijgt ze, staart naar beton aan de overkant. En ik sta naar haar te kijken. Dan kondigt ze een omhelzing aan en vertrekt naar onze straat. Tot ziens!  

De poëtische stenen uit het werk ‘Ik ben een woord’ werden en worden bewerkt, beleefd, beletterd, bezorgd door Anjet van Linge. De constante beweging van het kunstwerk kan je volgen op ik ben een woord of haar site

De vrouw in ’t zwart buigt haar dagen en de dingen in haar hand met zo veel gevoel en warmte dat ze smelten, onherroepelijk iets nieuws inluiden. Ze geeft inkijk op vele plekken en ook op haar stille site

Ik ben een woord – Anjet van Linge

 

Wat ik nooit heb gedeeld over 1 april

Vandaag is 1 april. Ik heb op de radio al drie maal gehoord dat een bericht geen grap is. Berichten die vandaag niet anders zijn dan gisteren, kunnen vandaag – anders dan gisteren – worden gehoord als een grap. Daarom krijgt een bericht vandaag al eens een voetnoot die zijn ware aard onderstreept. De voorzitster van de fietsersbond dacht dat de afgesloten afsluitdijk een grap was. Maar nee, mevrouw, er zal daar echt waar een aantal jaar niet gefietst kunnen worden. Ze overweegt een stap en dat is geen grap.

Maar belangrijker is dit: Vandaag is 1 april. Ik denk aan iemand die ik nauwelijks ken, maar van wie ik altijd zal onthouden dat hij jarig is op 1 april. Hij en ik zaten naast elkaar toen we negen waren. We zaten te schrijven, elleboog tegen elleboog, hij met links, ik met rechts. We schreven gebogen over ons blad een belangrijke tekst, eerst in ‘t klad en daarna met pen op potloodlijnen. Mijn tekst werd een tekst die ik nooit zou vergeten en die was bedoeld om vader op vaderdag gelukkig te maken. In kleine ronde letters noteerde ik zinnen met woorden als grappig en sterk. En toen vroeg mijn buur plots of ik durfde te schrijven, de volgende zin: als mijn vader me slaat, dan slaat hij me bijna dood. Natuurlijk durfde ik dat te schrijven. En dus schreef ik het.

Meester Jean-Claude las alle kladjes na op fouten, ik kreeg de mijne zonder markering terug. Toen ik mijn brief met klare stem en ingehouden lach voorlas op vaderdag, vroeg moeder hoe dit had kunnen gebeuren. Vader was er ziek van. Na de schrijfles heeft meester Jean-Claude vader trouwens nooit meer een hand gegeven.

Toen we ergens halfweg de twintig waren, stonden we plots naast elkaar voor ‘t rood licht in de stad waar we beiden klein waren geweest, mijn klasgenoot en ik. We woonden er in die jonge jaren elk aan een kant van dezelfde wijk, hij met zijn ouders en een broer in een rood huis met kiezels ernaast. Zijn moeder was altijd erg vriendelijk en erg gemaquilleerd. Voor ‘t rood licht waren ook wij vriendelijk tegen elkaar, vroegen waar we nu woonden en wat we deden. Ik heb getwijfeld of ik mijn vaderdagherinnering met hem zou delen, hem zou vertellen hoe hij met één zin die ene vaderdag regiseerde, hoe haast elk jaar zijn naam valt aan de familietafel als vader weer eens de rilling bij die regel beschrijft. Het werd groen.

Vandaag is 1 april. Ik zoek mijn jarige klasgenoot op een plek waar je met een klik ongezien alles van een ander kunt zien, ik ga door zijn berichten, zijn beelden, zie dat hij zelf in kundig klikken en kiezen de wereld grijpt, sparrentoppen scherpstelt in sneeuw en ochtendgloren, waterwegen volgt tussen stenen, stille kringen kadert in meren en een mum – een tel in de tijd in radeloos licht, de wolken tegen rotswanden neemt en een spoor in een dal in een straal in een dag.

En dan zie ik dat hij binnenkort voor het eerst vaderdag zal vieren, die dag wellicht gebogen over het kind in zijn armen, het hoofdje in de warme schelp van zijn hand, zijn gezicht dichterbij, zijn neus over de wangen zal strijken, met gesloten ogen zal ruiken, zal denken aan al wat daar in die kleinheid en de toekomst scherp zal worden, hij zal in gedachten zeggen dat leven durven is en soms een grap, dat een dag zonder geluid kan passeren, maar altijd telt en dat je hem kunt vergeten of bewaren en dat dat goed is zo.

 

Even naar de dokter

In de wachtkamer van de huisarts komt een man binnen die ik meteen herken. Hij kijkt me aan, het is niet duidelijk of hij mij ook herkent. Ik blijf kijken, hij ook. Hij gaat zitten, kijkt nog steeds, ik zeg: Wij herkennen elkaar. Hij kijkt, zegt niets. Ik zeg: U kijkt mij aan en ik u, dus ik denk dat wij elkaar herkennen. Een vrouw legt haar tijdschrift opzij, raakt geboeid. De man kijkt me aan, zegt nog steeds niets. Ik hou vol, krijg het een beetje warm. Wat zeg je, vraagt hij. Ik zeg: Zondagochtend, op een matje. Hij kijkt, zegt: Oh ja, daar.  Het is nog steeds niet duidelijk of hij mij herkent. Ik vraag of hij hier ook woont, in dit dorp. Ja, zegt hijeuh nee, eigenlijk niet. Hij noemt een ander dorp. Vlakbij. Een man met een gele jas komt binnen, we zeggen allen: Goeiemorgen. De man met de gele jas zoekt in een mand een magazine dat hem aanstaat, gaat naast me zitten en leest. Ik kijk weer naar de overkant, naar de man van de zondagochtend. Hij is actief op zijn mobiel, elke tik is hoorbaar. Nu komt er iemand naar beneden van een trap. Ik herken de tred van de huisarts, wakker en snel. Hij komt de wachtkamer binnen, kijkt mij aan en knikt, draait zich om en gaat alweer richting trap. De man met de gele jas, gooit het magazine weer in de mand en gaat achter de dokter aan. Ik neem mijn jas en tas, weet dat het mijn beurt is, kijk zondagochtend aan en zeg: die is helaas iets te snel. Zondagochtend lacht, de man met de gele jas komt terug, kijkt naar de grond.

Dag dokter, zeg ik, als we in zijn kamer zijn. De dokter klikt een bestand aan. Op de tafel staan drie stempels, een nietjesmachine en een rond potje met daarin heel erg veel paperclips. Middenin de paperclips staat een schaar rechtop. Terwijl de dokter leest, kijk ik door het raam, zie licht branden in het museumkantoor aan de overkant van de straat.

Als ik op de consultatietafel zit, drukt de dokter met drie vingers op mijn vel, ik geef aan wanneer dat pijn doet. Nee. Nee. Nee. Ja. –Hier? -Ja. -Hier? -Nee. -Hier dus? -Ja. –Oké.  Daarna toont de dokter op een skelet van gelakt hout over welke plek het gaat. Hij stelt een plan van aanpak voor, vanaf stap twee kan ik het al niet meer onthouden. Ik kijk weer naar het skelet, vind het prachtig. Buiten wandelt een vrouw met een hond aan de lijn over de stoep. Ze stapt met één voet in het gras.

Is er nog iets wat je wil bespreken, vraagt de dokter. Nee, dokter. Met de deurklink in mijn hand wisselen we nog wat verschillen uit tussen Belgen en Nederlanders. Tijdens elk consult breiden we dat lijstje uit. De uitsmijter laat ik meestal aan hem. Deze keer luidt die Een beetje zuiden in het noorden is goeddus blijf maar. Zal ik doen, dokter, zeg ik en ik ga, de brede trap af, de grote deur door. Waar zou ik na vijf jaar heen kunnen, vraag ik me af en kijk een seconde naar de vlakken en lijnen op een geografische kaart in de hal. Ik denk nog even aan de man van de zondagochtend, vraag me af of hij nog in de wachtkamer zit en of we elkaar overmorgen zullen zien en wie dan als eerste zal knikken. Ik ga twee deuren door en sta op de stoep. Ik kies links, steek de straat over, tik het witte hekje bij de museumtuin aan, zie in de kamer van een vriendin een wasrek met handdoeken, ga rechtsaf, wandel over het smalle pad. De konijnen die naast het pad hun plek hebben, zijn er niet. Ook hun hok is weg, heeft een bleke afdruk gelaten in ‘t gras. Wellicht genieten ze tijdens de kille maanden van warme binnenlucht, mogen misschien zelfs af en toe bij een kind of een moeder op schoot op de bank. De chansaars.

De schort

Ik woon nu bijna vijf jaar in Nederland. Het sentiment voor al wat Vlaams is, neemt met de jaren toe. Als ik familie in mijn geboortestreek bezoek, door de straten van mijn studentenstad wandel of in de buurt kom van de plek waar ik werkte, vertraag ik mijn pas, ga ik anders kijken. Met een treinkaartje in de hand, rugzak over een schouder, sta ik op het perron te wachten. Ik draai om mijn as, zie op een blauw inlichtingenbord een lik verf met daaronder de contouren van een diertje dat ik er ooit op tekende, ik zie het frietkot waar we vroegen of ze ook frieten verkochten en toen gierend een kleintje bestelden om te delen (*), ik zie dat de man die het gordijn achter het loket neerlaat nog steeds dezelfde is, ik zie dat de kauwgomballenbak is verdwenen. Ik stap op de trein, neem de route van thuis naar de school waar ik mijn tienerjaren doorbracht. De vertrouwde warme lucht in de wagon, het fietspad naast het spoor, de platanen op een rij, oude en nieuwe graffiti, het fabriekspand voor de fuiven waar ik niet heenging, de stadskern die dichterbij komt, de winkels, alleen Asalamsupermarkt en de tegels op het plein zijn nieuw. En dan links, rechts, weer links, rechts en nog een keer links tot … 

Ik sta op de grijze stenen in het midden van de speelplaats van het Technisch Instituut Heilige Elisabeth Grauwzusters Franciscanessen in Roeselare. Hier, op deze plek, op deze stenen, in dit vale licht van wolken en geen zon gaat een nieuw hoofdstuk beginnen. Ik draag een schort omdat het moet. De schort is lichtblauw, van synthetische stof, heeft een lengte tot net over de knie en gaat vanaf de heupen wat wijder open. Ze heeft lange mouwen die net te kort zijn. Over mijn borst gaat de schort in een V, in de rechterflank zit een gaatje waar een lint doorheen moet dat vervolgens op de rug wordt gestrikt. Op het rechterborstzakje staat mijn naam geborduurd; voornaam met daaronder familienaam. Het borduurwerk op de schort, in donkerblauw en in sierlijk aaneengeschreven letters zal het elegantste borduurwerk van de hele klas zijn. Het werd erop genaaid door buurvrouw Mieke die later tegen haar zin door mijn vader uit haar brandende garage werd gered. 

Voor me zie ik rode bakstenen wanden met hoge ramen, witte kozijnen eromheen. In de gebouwen zitten heel veel lokalen, gangen en trappen. In de gangen hangen lange smalle planken met metalen haken voor jassen en tassen. De trappen in het hoofdgebouw hebben terracottakleurige tegels, de trapleuningen zijn van hout. In het bijgebouw zijn de trappen belegd met zwarte en witte langwerpige tegels. Ik weet nog niet dat al die trappen steeds zwijgend betreden moeten worden en dat ze je ontzettend traag tot op de derde verdieping brengen nadat je onderweg de grote fotolijsten met koning Albert en koningin Paola hebt gezien en de gelakte lichtbruine kast met glas ervoor met daarachter de opgezette hermelijn met de scherpe tanden en de zwarte oogjes.  

Ik weet nog niet dat we op die trappen de strikken van elkaars schorten zullen lostrekken en daar strafstudie zullen voor krijgen. Ik weet ook nog niet dat ik op die trappen in de zomer onderweg naar een veel te warm lokaal het plan zal verzinnen om uit de les wiskunde te ontsnappen door voorover op mijn bank flauw te vallen.  

Ik sta op de grijze tegels van het Technisch Instituut Heilige Elisabeth Grauwzusters Franciscanessen in Roeselare. Ik ben vijftien jaar en ik denk dat ik een school heb gekozen die bij me past. 

(*) verkwoptjegidderierwokfrittn? – jaaaaaaa, zeg moa – eenklintjuvwotedjilnosjeblieft 

Een vrouw zit aan tafel

(Opnieuw)

Het is ochtend. Een vrouw zit aan tafel. Ze is al buiten geweest, liep met een voet op de stoep en met een voet op de straat. Midden op straat lag ijs, was het glad. Ze zag voor zich een teken in het ijs dat wegtrok zodra ze er was. Op haar netvlies zocht ze een spoor van het teken. En toen. Ze is uitgegleden, net niet gevallen, kon zichzelf vangen tegen een hek, heeft in een tuin een volgend seizoen gezien.

De vrouw zit aan tafel. Haar wijsvinger op pagina dertien. Een paperback met opgekrulde hoeken. Ze had nochtans geknikt naar de luxe-editie in de etalage. Vijf seconden later ging een donkere mannenhand ermee vandoor. Ze leest. Over hoe scherp vogels kunnen zijn, met de lijnen die ze trekken en hun lawaai. Brutale vogels schrijven openlijk de naam waarmee ik je roep. De vrouw zoekt betekenis door het raam, wil een vogel vinden op het dak, denkt in letters een naam die ze elke dag schrijft en toch is vergeten. Zoals de naam van iemand ooit heel dicht en voor altijd, die toch verdween en pas na jaren ook zijn naam terug komt halen. Een oud woord in een zakje in de hand van.

De vrouw strekt onder de tafel haar benen, raakt met haar tenen een stoel, vormt een hoek tot ze ervan gaat trillen. Ze wil nog eens glijden, de warmte van het bijna vallen voelen, vertragen langs de vroege bloemen en haperen met haar jas aan het hek, iets scheuren. En dan daar genoeg teken in zien om niet te gaan werken. Ze zou wel zeggen dat er bloed bij was en een dokter. En dat zou niet gelogen zijn, want enkele uren later valt ze van de trap, spuit het bloed uit haar mond. Maar dat weet ze nog niet. Ze staat op van de tafel, gaat in huis op zoek naar iets stomps, gaat voor het raam staan slijpen, voelt de kou door het glas, een punt valt te vroeg, heeft nooit geschreven.