Hoe gaan we dat hier doen, jongens?

Gisterenochtend. Ik dacht, ik ga het gewoon even aan hen voorleggen, dus ik zeg: Jongens, ik voel me heel erg moe, we hebben vandaag een hele dag samen, maar ik ben zo moe, hoe gaan we dat doen?

Ze is stil, zit op haar knieën op het bed, denk na, ik heb mijn armen onder mijn hoofdkussen, kijk van dichtbij naar het gezicht van de baby. Dan zegt zij: Je moet gewoon sterk zijn en heel hard je kleren aandoen. En dan gaan we naar beneden voor een ontbijtje en dan neem jij haar in de draagdoek en ga ik fietsen, heel langzaam naast jou. Dan gaan we lang naar de speeltuin, dan lunchen, dan ga jij een uurtje slapen op de bank en dan gaan we weer spelen en dan avondeten. Zo. Dat is de dag die gaat komen.

Het is een beetje anders gegaan, maar ze zat er niet ver naast. We hebben ontbeten en zijn gaan wandelen, we hebben twee uur lang gedaan over vijf straten. Dat komt omdat het poppetje in haar wandelwagen twee keer moest eten. Zo stopte ze bij een bankje met uitzicht, gaf de pop sap en daarna melk, wachtte tot er een boertje kwam, noemde de pop schatje en lieverd. Ze liet me fluisteren zodat pop kon slapen. Ze liet me een nest zien in een boom, had ze ontdekt met oma. We gingen samen naar de bakker, kozen er brood en pistolets en taartjes met aardbei. Ze heeft een pistolet gegeten op het bankje buiten bij de bakker, gaf de pop ook weer te drinken. Mensen gingen naast het bankje staan, dachten dat we aan het wachten waren, maar nee, we hadden alles al en alle tijd. Ik sloot mijn ogen heel even op dat bankje, vroeg of ik even languit op de bank kon liggen slapen, ze zei nee. Zij zei mooie fiets tegen een oude knar met een mandje waar een man op klompen mee aan kwam rijden, de man zei niets, kocht zijn brood. Hij rende vervolgens op de straat met zijn handen aan het stuur, zijn klompen kletterden en hup, hij sprong de fiets op. We keken hem na. Wat later vond ze een steen, deed hem naast de pop in het wagentje. Ik zag beukennootjes, liet haar de hulsjes zien, klokjes die opengaan, zacht vanbinnen, ze voelde met een vingertje. Met een voet drukte ze een bolster open, legde de kleine kastanje naast de steen.

Thuis maakte ik twee dozen leeg. Wij hebben altijd dozen staan met van alles in. Zij en de baby zaten aan tafel te kijken naar wat ik tevoorschijn haalde: vijftien golfballen in doosjes per drie (wie ze wil mag me een bericht sturen), een voorraad post-its, logiblokken met de geur van oud plastic en basisschool, ze heeft er meer dan een uur mee gespeeld, fietslichtjes op batterijen, puzzels van de seizoenen en van brandweermannen (voor de kringloopwinkel) en tien bordjes met daarop de print van verschillende soorten camembert en brie (voor als we een keer een kaas- en wijnavond houden en de camembert en brie op bordjes willen leggen met een print van camembert en brie).

Het werd vrij snel avond. Het was een saaie dag, zei ze, voor we aan tafel gingen. Pfff. We hebben gewoon ontbeten, dan lunch gehad en nu gaan we avondeten. De man en ik keken naar elkaar en lachten. Ik stelde voor dat we dan morgen een keer niet zouden ontbijten, niet lunchen en geen avondeten zouden nemen. Dat vond ze geen goed idee, ze at en noemde het verrukkelijk, de baby sloeg bloemkool stuk op de tafel.

De man bracht de oudste naar bed, ik lag op de bank met de baby op mijn borst. Boven werd om een vierde verhaaltje gevraagd, ik hield een klein handje vast, zag door het raam hoe de lantaarn op straat aanging, het licht prikte, ik zou straks thee vragen aan de man en hem de gordijnen laten dichtdoen. Hij deed dat laatste eerst, haalde zo dat felle licht van mijn gezicht, zei dat ik maar niet naar links moest kijken, naar de aardappelen en bloemkool die overal lagen, en het speelgoed en de was en de spullen die ik ‘s middags uit de dozen had gehaald. Ik deed het toch, richtte mijn hoofd wat op en keek, deed alsof ik een hartaanval kreeg en liet me dramatisch weer zakken op de bank, de baby sliep verder. Draai eens op je zij, zei de man en wreef mijn nek in met olie. En dat was het. Dat was zo ongeveer de dag die was gekomen.

Een tafeltje met een lade

Ik zit te werken op het kamertje van mijn dochter, aan het oude cafétafeltje dat er is – zo lang ik het mij kan herinneren. Het heeft een lade met vijf ongelijk verdeelde vakken. Op de bodem van de vakken heeft, denk ik, mijn moeder paars inpakpapier met witte lijntjes geplakt. Om te beschermen. De inktvlekken op het paarse papier zijn sporen van mijn vaders spullen, van dunne naalden die hij vulde in glazen potten blauwe inkt, die hij zachtjes leegspoot in patronen die hij dan weer vast klikte in vulpennen. Hij werkte altijd heel precies en beheerst. Nu ga ik twijfelen of ik die vlekken niet heb gemaakt, toen ik hem nadeed.

Het tafeltje heeft op mijn kot in Gent gestaan, ik at er snel cornflakes op een tijdstip waarop ik eigenlijk al moest vertrokken zijn. En ik verzon er excuses voor laat binnenvallen in de les, bijvoorbeeld dat ik over een hondje was gestruikeld. Het tafeltje heeft ook op het appartement net buiten Gent gestaan, waar ik woonde toen ik al enkele jaren werkte. Ik heb toen het tafelblad eens geschuurd en ingevet met de verkeerde olie. Avond na avond heb ik er teksten van studenten zitten lezen en op hun onderste pagina’s vettige vlekken gemaakt. Ik schaamde me een beetje toen ik hen de werken teruggaf. Alsof ik tijdens het nakijken frieten had zitten eten en er achteloos wat op hun werk had laten vallen. Ik weet nog dat ik dit vertelde aan een vriend en dat die niet meer bij kwam van het lachen.

Nu ontdek ik in de lade van het tafeltje de schatten van mijn kleuter. Een poesje met snorharen netjes uitgeknipt, een haarrekkertje en een cadeautje zoals zij ze maakt, ze blijft het papier maar vouwen en vouwen en plakt het dan dicht met tape. Ik heb het cadeautje zopas even opengemaakt. Het is een briefje waarop ik een hele tijd geleden heb geschreven wat zij in haar spel zat te zingen: Als de regenworm in de regen is, dan kan hij niet in de regen blijven. En als hij niet in de regen kan blijven, dan kan hij niet in de regen blijf. Als worm niet kan praten, dan kan hij leren praten. Met een grijs potlood heeft ze de zinnen een kader gegeven. Ik vouw het briefje, plak het dicht met de tape en stop het weer in de lade. 

Ik heb geen zin meer om te werken. Ik heb zin om met vrienden van vroeger frieten te eten op mijn kot en daarna snel weer naar huis te gaan om er op het ritme van haar zelfverzonnen melodietjes met oude vulpennen pagina’s te vullen die zij dan als opgevouwen cadeautjes kan verstoppen voor later. 

De onvoorspelbaarheid van de dagen

Voor ’s avonds is er het plan dat ik ga wandelen met een vriendin. Ze zal aankomen met trein en mondmasker, met een rugzak en een fles, een warme trui, een gloeiing van de drukte van de dag en de onvoorspelbaarheid van de dagen die zullen volgen. Ze zal vertellen over tenten, slaapzakken en rugzakken inpakken en over plots de reis gaat niet door. Er is code rood, op de hoge toppen van de machtige bergen zou je van alles kunnen vangen. Een dag later zal ze me bellen. Op verzoek zal men de lucht nog eens controleren daar in de Zwitserse hoogtes. En een dag daarna – hup – is berg en dal en alpenwei weer veilig verklaard en is de code van rood naar groen gegaan. Maar zij zal besluiten toch thuis te blijven, want dat is toch geen manier van doen, zo van groen naar rood en van rood naar groen en dat heen en weer en dat dat voor de kinderen maar vervelend is. Dat ze ’s nachts in hun bedjes liggen te draaien en niet weten waaraan toe. Ze zullen dan besluiten in eigen land te blijven en met de fiets een plek te zoeken die lijkt op een berg, daar zullen ze een tent zetten en zich wanen ver van alles en van iedereen.

Ik zal haar opwachten aan het station, met auto en zonder mondmasker. Met in mijn rugzak iets zoets en iets zouts, ik zal haar laten kiezen. Maar ik zal me moeten haasten, want ik zal te laat van huis vertrekken. Ik zal op de parking bij het station de baby nog voeden. Bij het uitstappen zal ik mijn knie hard stoten tegen de deur van de auto, sterretjes zien, me op de bestuurderszetel laten ploffen, been buiten laten hangen, achterover leunen, met een vertrokken gezicht het been langzaam strekken en buigen, strekken en buigen … me voorstellen dat we dan maar zo een ontmoeting zullen hebben, de vriendin en ik, ik op de kiss en ride-strook in de auto met been uit open deur, zij met mondmasker, staand op het perron, zinnen herhalend omdat ik geen lippen zie bewegen, haar nauwelijks kan verstaan. Kortom, het zal een ellendige ontmoeting worden en ik had er nog wel zo naar uitgekeken.

De pijn ebt weg, de baby gaat in de draagzak en wij wandelen een brug op. Ik laat hangend over de balustrade zien waar ik als kind wekelijks naar de scouts ging, de stenen waarop we in een vierkant stonden, het pleintje waarop we speelden en dat nu zo klein en toen zo groot was, de stank van slechte leidingen in het gebouw en de geur van voederbedrijven en het kanaal buiten, een sticker op een kastje in een van de lokalen, daarop: zeg niet te gauw, ’t is weer een vrouw. Ik kon toen helemaal niet bedenken op welk moment iemand zou kunnen zeggen ’t is weer een vrouw. Volgens de vriendin zijn er van de gasten die dat zeggen als een auto voor hen niet naar hun goesting rijdt. We wandelen de brug af, nemen een trap naar beneden. We praten en zwijgen af en toe, maar niet te lang want de tijd is schaars, de vriendin schakelt een wekker in op haar telefoon. We zien een man op een plooistoel, tentje ernaast. Man, stoel en tent zijn alle drie groen en hebben een print van camouflage. De man zit met naald en draad een zak te naaien, een hengel hangt in het water. Dat is toch echt een wereld op zich, hé, zegt de vriendin. Wat verder ruikt het naar plas. Van honden, zeggen wij. We praten over wat er gebeurde in de dag, over wat snel gaat en wat traag en over wat kan schuilgaan achter een gevoel. Ze kiest iets zouts uit mijn rugzak, laat er ook wat van vallen op het wandelpad.

We beschrijven wat nog allemaal mogelijk is in de rest van de vakantie. De wekker gaat, we draaien om en nemen dezelfde weg terug. Ze vertelt nog even, dat ze met de post een boek kreeg van een vriendin. Het boek kwam gekaft in wit papier, zo kan het op tafel blijven liggen zonder dat de titel iemand ongemakkelijk maakt. In het boek staan met potlood nog de notities van de vriendin. We besluiten dat dit een prachtcadeau is, dat je een boek dat je zó goed vindt, weggeeft én je gedachten er gewoon in potlood bij.

We praten tot de trein komt, tot zij het mondmasker opzet, het perron en het trapje van de trein opstapt. De conducteur blaast op een fluitje, draait in een slot op een paal een sleutel om. Ik graai snel in mijn rugzak, wil een foto maken. Het is geen al te beste selfie geworden, eentje van mezelf met reuzenhoofd en dubbele kin en een donkere vlek met zwaaiend armpje achter rijdend glas vol gespiegeld gebouw. Maar ik ben er blij mee en heb er deze week al drie keer naar gekeken.

Het begon met brood gekocht in een dagwinkel die leek op een nachtwinkel

Lunch in de tuin onder twee parasols. Salade was goed, brood was mottig en had hij gekocht in een dagwinkel die leek op een nachtwinkel. Ik moest me er even overheen zetten, over dat brood. Maar oké, smakelijk. En dat het al woensdag is. Dat híj om de dag is gaan hardlopen en al een boek heeft uitgelezen. Dat mijn zus haar tuin heeft aangepakt en de hele eerste verdieping. Dat ik veel heb gescharreld en gedacht en het spel pak-de-vossenstaart heb geïntroduceerd, voor grote en kleine mensen, zo elk met een doek waarvan een punt in onze broek. Dat was een heerlijk moment. Ze sprong maar op en neer met die kleine beentjes, draaide rondjes, kon niet stoppen met lachen. Het eindigde wel met tranen, omdat wij dat nu eenmaal geen uren kunnen volhouden, dat gepak-de-vossenstaart en dus ergens op een punt dat voor haar niet gelegen kwam het spel hebben afgebroken, nochtans meermaals en voorzichtig aangekondigd. Dat ík nog géén boek heb gelezen, er wel vijf meebracht, maar nog niet ben op de helft van het eerste. Dat ik een stapel papier vol ideeën voor teksten, maar er amper eentje heb geschreven. Hoe ik dat toch heb kunnen bedenken, dat ik hier elke dag zou kunnen zitten en schrijven?

Ik bijt in een taaie witte boterham en moet een beetje huilen. En dan komt de scène. Ik staar naar wat overpeinzingen in de struiken en naar het gras dat ros is van de droogte en dan zegt iemand zo ongeveer dat als ik mijn tijd goed wil benutten dat ik dan maar zo traag niet moet eten. Ja. Kom zeg. Dat wordt later wel rechtgezet en we lachen er mee. Maar nu. Ik huil nog wat verder en mijn neus begint te lopen, ik heb geen zakdoek. Dat punt dat je voelt dat je neus begint te lopen en dan met beide handen op de zakken van je broek klopt om een zakdoek te voelen of dat je gewoon wéét dat je er geen hebt en hoopt dat er geen snottebel tot op je lippen hangt voor je er een hebt gevonden. Ik sta op, kijk niemand aan, schuif mijn stoel achteruit en stap naar het huis, mijn armen ongemakkelijk langs mijn lijf, ik zie hen naar me kijken vanaf de tafel en ik zie mijn ongelukkige zelf weerspiegeld in het grote raam waarvan het rolluik naar beneden tegen de hitte. Terwijl ik in het donkere huis zoek naar een zakdoek weet ik dat ze daar nu een blik zullen wisselen, elk met zo’n fletse boterham in hun handen. Dat mijn zus grote ogen zal maken en daarbij de wenkbrauwen en het voorhoofd omhoog en dat hij zal zeggen tjah. Ik snuit mijn neus, doe nog even niets bij het aanrecht in de keuken, open de deur en stap weer over de warme tegels van het terras en over het gras naar de tafel. Hij kijkt mij aan: Hé? Heb jij gehuild? 

Later die middag val ik in slaap op bed met de baby. Mijn benen hangen over de rand. Ze zijn wat koud en tintelend als ik wakker word, ik was niet van plan te slapen. Ik trek mijn benen op, schuif mijn gezicht vlak naast dat van de baby. De gesloten ogen, de wimpers op de wangen, die lipjes op mekaar. Ik ga liggen op mijn rug, zie in het licht van de witte kamer hoe de slaap me uit al dat voelen heeft gehaald en nu een klein ontwaken brengt.  

En in de kleinere pop zit een nog kleinere pop en in de nog kleinere pop zit een nog kleinere pop

We worden naar buiten geleid, kiezen tussen stoel of bank, krijgen een kopje thee en een koek en een opdracht en het plan voor de rest van de dag. De man zit naast zijn moeder, op het bankje in half zon half schaduw. De baby op zijn schoot. Zijn moeder kijkt en zegt: Wat mooi toch, hé, zo’n kind. Wij knikken ja. En we zeggen dat de tuin er weer mooi bij ligt en dat de peterselie het zo goed doet. Ja hoor, zegt zij. En ze kijkt weer naar het kindje. Snap je dat nu, dat er mensen zijn die geen kinderen willen? Wij halen schouders op tjah.  Nee, zegt zij, dat snap ik niet. Zelf heb ik ook heel wat kinderen. Ik weet niet meer hoe veel, maar wel veel. 

De man legt een doek op het gras en geeft de baby een schone luier. Zijn moeder zit, kijkt met dichtgeknepen ogen naar iets in de lucht, de wolken, de half zon half schaduw en dan naar de blote billen. Wat fijn dat je hier bent, met het kindje. En ze geeft het kindje een naam dat het niet heeft. 

De vader van de man stapt naar buiten, kordaat en met een witte kom. Ik volg hem op zijn verzoek. Mijn zus volgt mij. Zij is er voor het eerst. Op die plek en in de tuin waar mijn man als kind met een kartonnen koker vol pijlen aan een touwtje dat wat sneed om de hals, zijn boogje spande, een keer zó hard dat het in tweeën brak. De tuin met achterin een hut en de blokken hout als een nette toren en een kuil met bankjes om te zitten en soms de kippen van de buren door de heg en de kolen en de sla, nu een beetje doorgeschoten. De bramen blinken. De vader, mijn zus en ik omsingelen de struik, wij gaan door de knieën voor de laagste lagen en op de toppen voor de hoogste. De vader verzamelt op eigen hoogte. Ik eet bramen voor hij zegt dat ik mag. De vader is wat kleiner geworden, ik zeg het hem en leg een hand op zijn schouder. Ja, zegt hij, al wat in het hoofd gebeurt, zoekt zijn weg in het lijf. Hij zoekt verder naar bramen en pas op voor je kleren. Alle drie zeggen we wel een keer auw en mijn wijsvinger rechts bloedt een beetje. 

Er gaat suiker bij de bramen, glazen potjes met een tang gegrepen en met kokend water gespoeld. Op het bankje zitten nog steeds de man, zijn moeder en de baby. De moeder leunt naar links, handen slap in haar schoot, vraagt Wie ben ik? aan het kindje. Het kindje zegt niets, kan nog niet praten. De man zegt: Waar is oma? Daar is oma. Hier is oma. Kijk maar, hier is oma. 

Aan tafel zit oma scheef op een stoel. Ze steekt haar vork rechtop in een groot stuk vlees. Ho lief, even wachten, zegt de vader tegen haar. Hij brengt zijn hoofd wat dichter bij het hare, hangt zo ook wat scheef. Hun hoofden raken elkaar zachtjes bij een punt van de tafel. Ze hebben allebei een schort om. Hij voor het koken. Zij voor het eten. Hij misschien ook wel voor het eten of om wat aan haar gelijk te zijn. Nog even wachten, ja? Op fluistertoon. Hij geeft haar aardappelen, bloemkool, sla. Je mag beginnen, lief. Een hand met een mes en een hand met een vork zweven boven het bord, raken nu en dan wat aan, prikken af en toe raak. Hij eet en wijst haar hand met vork de weg. Ja, hier zo. En als de vork niets vinden kan, vindt hij het en brengt het naar haar lippen en lekker, hé, lief? 

We krijgen tijdens het eten een samenvatting van wat afleveringen van een programma dat we toch echt een keer moeten. Deze keer was er een psychologe. En ze had het over zo’n Russische poppen. Matroesjka’s. Ja. En dat je net als een matroesjka je buitenste of je binnenste zelf kunt laten zien. En dat dat soms bewust en soms onbewust gaat. Ik kijk naar de man. Hij zit van alles te denken en vergeet te eten en ik zie dat er wat brandt op zijn lippen en achter zijn ogen. 

We ruimen de tafel af. De moeder stapt aarzelende rondjes door de kamer, schiet ineens snel vooruit, zet rappe passen, kijk maar wat ik kan. De man staat met zijn vader en zijn handen in het sop voorovergebogen in de keuken. Ik kom van uit een andere kamer en krijg van de moeder een strenge blik: Hoe loop jij erbij?! Ze bekijkt me van boven naar onder. En, zegt ze, ik heb me nog wel zo mooi aangekleed. – Oh sorry, zeg ik, ik zal er de volgende keer om denken. 

We knikken en kijken en aarzelen en draaien en zwaaien in de hal en aan de deur en op de stoep tot de volgende keer. De man slaat de kofferdeur dicht, gaat weer bij zijn ouders, legt handen op hun tere schouders, zoekt zijn moeders ogen, zegt zinnen over leven en liefde en wil en wenst. En dan zegt zij: Ik weet dat je van me houdt en nu moet je het loslaten en een plek geven, want pap zorgt voor mij. 

Ik rij en kijk naar het gezicht naast me, zie een hartslag in de hals en op de wangen de gloed van de volzin van zijn moeder. 

Alles tegelijk ademt en stopt

We gaan naar kunst kijken op afspraak. Zo gaat dat in de tegenwoordige tijd, een tijd waarin we door elkaar niet te zien en niet aan te raken, hopen lang en gelukkig te leven.

We zijn een beetje aan de late kant. Kinderfiets in de kofferbak, een mand met drinkflessen, een luier en een doekje, geen koekje want te weinig tijd om dat te grijpen. De kleinste gaat voor het eerst rijden. We zeggen het snel tegen mekaar voor het instappen, met onze hoofden boven het dak van de auto: dit is voor de eerste keer met haar, hé.

Per twee mogen we het kerkje binnen. De kleintjes kleven aan ons. We vormen samen een som die mag. De kou van de muren, ik stap weer naar buiten voor een sjaal uit de auto. De wissel van koude-warmte-koude kruipt over mijn blote schouders. 

Waar is de kunstenares, vraagt de muis. Daar, zeg ik en ik wijs naar de vrouw die perfect bij haar werk past. Zij en haar dingen, allebei een beetje robuust, gevoelige kracht, zij met zachte lijnen, het werk in harde, allebei gedegen, daarop de gevoelige groeven en het gewaar met de vingertoppen in de nerven een hart te raken. 

In de kern van de kerk staat het hout, staan de stammen. Ze heeft kruisen gemaakt, meer dan je kunt tellen. Ze dacht aan iets over de dood van een bos, maar overdaad aan afscheid dezer dagen haalde in dat idee. Al dat afscheid. Afscheid van weten, van adem, van nabij, van vasthouden en zomaar iets doen, en misschien ook wel afscheid van verstand en wie we in wezen zijn. In een streep licht uit een smal raam staan de levens van hout. Op foto stonden ze telkens alleen, van dichtbij genomen leken ze groot en sterk, die kruisen. Hier in de kerk loopt onze muis het eerste beste kruis bijna omver. Het wankelt. Net een mens, zegt de kunstenares. Elk kruis is gehouwen in een gedachte, in de kern ervan klopt een verhaal. We lopen rond, krijgen hier en daar het relaas bij een kruis. De muis wil steeds opnieuw horen voor wie het verhaal is achter het kleinste kruisje. Het is Voor de kinderen die niet begrijpen wat er allemaal gebeurt.

Op een tafel staan twee glazen potten. In de eerste zitten potloden, ongebruikt staat op het glas. Daarnaast een pot voor potloden gebruikt. Die laatste is leeg. Ik wou wel een zinnetje schrijven, een frase voor zo’n kruis, maar die glazen potten nemen even de woorden weg. Zijn we werkelijk daar gekomen dat we geen potlood van een ander nog durven te … De muis is niet te zien, roept van ergens in de hoogte: Kom eens in mijn kerkje! Ze staat op de kansel, vraagt me dichtbij, aait het groene vachtje op een zitje, doet het deurtje open en dicht. Wat is dit? Waarom is dit?  Ik denk aan die keer dat we ook kunst keken in een kerk en zij gehurkt haar luier en de kansel vulde met stank. 

We kijken naar de kruisen, zien verschillen in grootte en in hout, welke hout, vragen we en waar vandaanEn je maakte er dus elke dag één en welk kruis raakt je zelf het meest? En zij kijkt en denkt en zegt dan iets zachts en ook dat ze nog heel even doorgaat met maken en dat de kruisen dan gaan reizen. We kijken hoe het licht zich op de kruisen gooit en schuift en weten dat er straks enkel vaal grijs zal zijn. Dat de verhalen dan even zullen sluiten in de nacht voor ze weer opengaan in het ochtendlicht.

Buiten staat de auto onder een boom, binnenin is het warm, we blijven nog even, ik zit met de baby op schoot op de achterbank, benen buiten. De muis en de vader rijden een rondje met de fiets, zullen straks een plek met ijsjes vinden. Ik zie de grijze letters op het blad van de kunstenares, lees over hoe alles tegelijk ademt en stopt, nu. Er is een kruis voor hen die alleen zijn, voor hen die op het land werken en ons elke dag voedsel … En ook een kruis voor alle kinderen die alleen in een huis zitten met degenen die hen misbruiken. Dat er een kruis is voor alle kinderen die alleen in een huis zitten met degenen die hen misbruiken. Dooah. De broeierige beklemming. Ergens vast te zitten in de ene dag na de andere waarin niets de deuren opengooit en geen wind de lucht of de lakens ververst. Die plek heet dan thuis. Ik trek mijn benen binnen, raak met mijn vingertoppen de lijn waar voorhoofd haar wordt, blaas iets uit me weggggggggg met mijn mond in een streepffffffffff, kijk naar de kastanjeboom op het pleintje, de takken bij de wolken, de bladeren zo dicht bijeen. Zou een klein iemand nu stilletjes huilen of heel hard en wensen dat hij een blad was, zo’n simpel blad, dat heen en weer waait in de wind, dat samen met nog een ander blad zit op een ent, de nerven vult met wat sap, lauw wordt overdag, druppels draagt tijdens de nacht, soms eens een aai krijgt van een vleugel die voorbij … Mijn kijken zakt. Van bij de wolken, naar de kern van de kruin, de stam, het gras, de stenen, in mijn hoofd de beelden bij al dit kijken en denken en kinderen die ik zie, kinderen die horen te zijn met glimmende gezichten en zachte haren en een adem van rustig ontwaken en wild geluk, ik zie ze grauw in hun gelige huizen, de armen en benen in kramp.

Ik kijk naar wat op mijn arm precies ligt te wezen waar het nergens beter kan zijn, de gesloten ogen zo dicht bij mijn hart, de wimpers. Wat later op het pleintje. De muis zit op de arm van haar vader, wijst alle ijssmaken aan, luistert naar hun namen. Ik leun tegen een schaduwmuur, tracht gedachten te lossen met zuchten, wrijf over het ruggetje dat slaapt op mijn buik. De muis glundert, toont wat ze koos. Ik krijg van de vader mijn smaak. Zittend in het gras, haar sandalen uit met één hand. Wij kijken naar haar. Hoe ze daar zit en niets anders wenst dan wat ze nu heeft. Waarom gaat het zo snel op, vraagt ze. Ja, zeg ik, omdat het zo lekker is. Ze staat, geeft me de rest van haar hoorntje, de plakkerige punt. Ze wrijft wat losse haren naar achteren en rent. Blij dat we in het kerkje zijn geweest, vraagt de vader. Ik zeg ja. 

Requiem van Anjet van Linge is tot en met 30 augustus in Museum De Lakenhalen in Leiden. Het werk is zo hecht en echt en leent zich uitstekend voor een moment van stilvallen in de tijd. Haar website trouwens ook. 

Geen plan b

Drie jaar geleden vierden we het volle leven en onze liefde daarin. De dagen ervoor regende het pijpenstelen en we wisten dat er een plan b, maar kregen dat maar niet bedacht. De nacht voor de dag was kort.  

Jij zat samen met je goeie vriend in ons huis. Je streek je hemd en schreef je tekst, hij speelde piano. Ik reed met pak en zak en jurk en zus en muis naar de mooiste slaapplek van het noorden. Daar zou ik twee nachten blijven, mijn nagels lakken en kijkend over de graanvelden zien hoe onze dag dichterbij kwam. Op de eerste dag moest zus al een halve dag onderweg omdat ik ergens mijn oorbellen was vergeten. Ik zat klam te schrijven aan de tafel daar, mijn moeder kwam langs om te spelen met de muis en de laatste nacht ook daar te zijn. Alle vrouwen bij mekaar – zeg maar. Toen het al donker werd en alles stil was ik met mijn tekst en mijn gedachten nog niet op de helft. Voor de muis had ik een linnen jurk met gouddraad. Haar romper werd plots bruin en nat en wat ik nog had was oud en blauw en had lange mouwen. Daar knipte ik dan maar wat stukken af zodat het zou passen. Mijn moeder zei: Moh, dat is ollemolle nie erg! Zeg!

De volgende ochtend kwamen er kapsters. Ze legden kammen en borstels en spelden tussen kopjes thee en een half opgegeten croissant. De dame van de slaapplek was aardig, kwam kijken of we nog iets nodig en printte mijn tekst. Mijn vader kwam en haalde ons op, gebruikte weinig woorden, nam muis op de arm en wees naar iets moois in het veld. Het is allemaal zeer goed, zei hij in de auto en reed bijzonder rustig. We reden naar ons eigen dorp, naar het witte kerkje, het knalde fel in de zon. De klokken luidden en het volk stond tot buiten op de stenen. Ik wurmde me binnen tussen een muurtje mensen, zag eerst jou en toen iedereen links en rechts en boven naast het orgel. We huilden en omhelsden en lachten en dachten allez, hier staan we dan en we willen echt nergens anders zijn. De ambtenaar mocht wat vertellen over ons leven en het leven van die plek. Daar had vroeger een schooltje gestaan. Dat kan wel in een handvol woorden. Maar hij had een handvol papier, vertelde dingen die wij al lang niet meer weten. We dwaalden af naar elkaar en lieten ons vangen door al die blikken van al wie was gekomen om daar bij ons op dat moment. 

Je vriend plooide zichzelf achter het orgel, speelde en stampte en bleef dat herhalen tot wij en iedereen buiten. We gingen op de foto en de muis die keek, kon niet lachen van al dat te veel, maar ja.  En we reden weg, over de wegen die zo vertrouwd en ineens totaal anders. En je vertelde dat de dag nu al perfect is en je nog nooit zo gelukkig en kijk, het koren is van goud en het is nog niet eens middag, de rest moet nog beginnen.

Dat had ik je nog niet eerder zien doen

Het wordt lastig opstaan morgen. We moesten al lang slapen. Maar ja. Drie vingertjes op mijn rechter arm. Een kriebeling in de late uren. Ik lig ongemakkelijk, ben geplooid in een lastige hoek. Ik buig me naar je toe, wil die arm niet verroeren. De hand van mijn andere arm leg ik op je hoofd, je schedeltje past nog precies in de schelp die ik met mijn vingers maak. Ik hou een vinger onder je neus, voel zachte warmte als ik mijn ogen sluit. Ik nies, je arm schiet recht omhoog, je handje landt weer op mijn vel.

Je sliep maar even terwijl ik deze middag een wandelingetje maakte met zus. Bij thuiskomt zag ik je door het raam. Dat kleine, donkere hoofdje. Ik voelde de warmte ervan door het glas. Je zat op de schoot van je vader, hij las een boek met één hand, je rug tegen zijn bovenarm, zijn vingers rond je middel. Z’ is wakker, zei ik. We bleven staan. Je draaide je hoofd en zag me. Ik zwaaide naar je. Je zus zocht je, boven de rand van de vensterbank. Je strekte je hals, groeide een centimeter, duwde je kin in de lucht, maakte je ogen groot. Dat had ik je nog niet eerder zien doen zo. En toen je haar zag, lachte je. Het was het mooiste van de dag: jouw halsreikend-reikhalzend zoeken naar een stukje zus tussen de sanseveria’s.

Een vader

Het is makkelijker schrijven over een pot geraniums dan over de vader die elke dag beweegt in ons huis. Als ik dan zit en wil schrijven en kijk, de koffiemelk die eigenlijk in de koelkast moet, het plantje dat ik kreeg omdat ik een interview, de stiften en potloden van de kleuter en de sokjes van de baby en de ramen die dringend moeten en daar – buiten – de eerste stokroos, een roze, en de stelling bij het huis van de buren en hoeveel pannen zouden er eigenlijk op een dak … en dat ik dorst heb. En dat mijn Bomamie vroeger zei als je dorst hebt moet je op het puntje van je tong bijten. En dat dat niet werkte bij mij. Ik weet niet. Zou het bij haar wel hebben gewerkt? Ik kan het haar eens vragen. Maar ik mag niet te lang wachten. Ze is al tweeënnegentig. Morgen is het vaderdag. Ik ben hier aan het uitstellen. De trucjes uit de lessen over leren studeren werken voor studenten. Maar niet voor mij. Oké?

De oude dakpannen liggen in een container op de oprit. Ik zou die wel kunnen gebruiken. Om een kruidenspiraal te maken, bijvoorbeeld. Echt een zot ding. Je stopt de pannen rechtopstaand in de aarde, de helft steekt eruit, je schikt de pannen zo dat ze een slakkenhuis vormen. In de cirkels zet je mediterrane kruiden. De pannen nemen overdag de warmte op, geven die ’s avonds weer af. Dat zou ideaal zijn voor de salie, de tijm, de oregano … maar ja, dat zal wel weer niets worden in dat mottig kaboutertuintje van ons. Echt. Hoe groot is dat ding? Vijf vierkante meter? En de helft ervan is tegels. Er is niet eens gras. Er staat niets anders in dan onkruid en vrouwenmantel. Onkruid, dus. Dan is er nog die struik die drie dagen per jaar bloeit en waar je verder niets aan hebt. En het vijvertje van de bewoners van jaren geleden, het is overwoekerd, er groeien in de lente – ocharme – drie vier gele irissen in. Dus ja, voor een schitterende kruidenspiraal van de dakpannen van de buren is er dus geen plaats. Helemaal achteraan is een soort vlonder gefabriceerd omgeven door een haagje. De planken ervan zijn ondertussen zo rot en in de winter zo glad dat je erover uitglijdt, neerknalt, op je rug in de ijzige kou blijft liggen, je niet kunt bewegen, starend naar de donkerte van het heelal tot alles ophoudt, tot de boel is afgelopen. Veel valt er tegenwoordig trouwens niet te glijden op die vlonder, want jij hebt er zo’n honderd tomatenplanten neergezet. Ik zei het nog: doe het niet! Wij leven in het noorden, dat is hier verschrikkelijk koud. Dat groeit hier niet, tomaten. Heb jij hier al tomaten zien groeien? Je wilde het per se proberen. En morgen op vaderdag ga je op onze oprit staan met een kraam met je tomatenplanten, je geeft ze gratis weg. En ik denk: ja, daar komt dus geen kat op af, hé. Dat zal kweetnie hoe zielig zijn. Maar dat kan jou niets schelen. Als er niemand komt, ga jij daar niet moeilijk over doen. Je zult het klaptafeltje leeghalen, de planten schikken in dozen, poten van het tafeltje inklappen en alles netjes opbergen. Ik zal de kinderen al die tijd achter gesloten gordijnen binnenhouden, ze zenuwachtig afleiden, ik wil niet dat ze zien dat hun vader die planten nog aan de straatstenen niet kwijtraakt … Het zal een vreselijke dag worden. 

En toen ik voor de laatste keer zei dat het met die tomatenplanten hier in het koude klimaat niets zou worden, heb je nog wat extra zaden in potjes gedaan en gezegd dat we moeten denken in mogelijkheden. Ik heb mijn schouders opgehaald en ben nijdig gaan afwassen. De grootste muis heeft je geholpen met de aarde en de zaadjes. Later heb ik je gevraagd: Wat is dat eigenlijk; denken in mogelijkheden? Dat is, zei je, het tegenovergestelde van denken in beperkingen. Maar, zei ik, dat heb je toch niet te kiezen, je ziet de mogelijkheden of je ziet ze niet. Ja, zei je, denk er maar eens over na, dan weet je het wel. Grrrr. Drie dagen later verscheen er al groen.

We waren op een speeltuintje vandaag. Dat doen wij niet voor onszelf. Het gras was er nat en wij zaten al direct met natte kousen. De oudste muis niet, haar schoentjes zijn van leer. Het toestel was vies en vol met webben. Er is hier brandweerangst!, riep de muis. Ik weet zeker dat jij nauwelijks weet wat angst is en al helemaal niet wat brandweerangst is, maar je hoorde het alarm, liep met haar en loeiende sirenes in het rond, klom op ladders die klein en door tunnels die nauw en je bluste de moeder die in een hoge toren met een baby in de armen … 

Ergens rond de middag was de moeder op, want er was was die nooit gedaan en daarnaast nog duizend dingen die maar niet veranderen. En je maakte soep en sneed brood en belegde dat met ei voor alle vrouwen met tanden in huis. En je zei hop en één-twee-drie en de tafel was weer leeg en het hoofd van de moeder ook. 

Ergens tegen het einde van de middag was de oudste muis op. Ze zat met haar puzzel en dikke tranen aan tafel. Ik moet helemaal opnieuw beginnenhet lukt me niet, er is hier te veel lawaai en het lukt me niet. De puzzel was zo goed als af en was precies wat hij moest worden. Met haar natte wang op je schouder heeft ze de laatste stukken gelegd. Je hebt haar naar boven gebracht en in bed gestopt, hebt gelezen over vos en haas en zij las het woordje pap, je bent in het donker naast haar blijven zitten, kleine en grote hand, hebt gezegd dat stilte ook goed is, dat een dag soms beter eindigt als je niet meer praat en vraagt. En ze begreep het, deed haar ogen dicht, draaide zich op haar zij, haar adem werd rustig, ze hoorde de jouwe. 

Beneden is het nog een bende. In de kamer staat een tentje, liggen knuffels en kussens over de vloer, het parcours van genestel en gewoel en kijk, kleine zus, ik zit hier. Prentjes en plaatjes uit bladen, we zien wat ze mooi vond, knipte vandaag: een bloem en een paraplu, een roodborstje en de letter L. Van jou mag dat allemaal zo blijven liggen, want als we het hadden opgeruimd dan hadden we niet in de avondzon gezeten. Ik met de kleinste, jij met de grootste op schoot. Ze lag in je armen, speelde dat ze een baby was en jij moest haar voeren. Ze glunderde, haar blote benen, jouw armen eromheen. Je drukte haar tegen je aan, de opgevouwen kleuter, ze gierde het uit. Nog een keerStraks knijp ik je fijn, zei je. En zij weer: Nog een keer! Achter je de rabarber, morgen snijden we de stelen. Ook de radijzen gaan eruit, voor de derde keer al. De prei schiet op, de bonen boomen, je maakte een nieuwe constructie van takken en net. De oudste hoorde het woord constructie en gaf een week lang hetzelfde compliment: Papa heeft toch echt een mooie constructie gemaakt, hé. Dat heeft hij zeker. 

De kleinste drinkt aan de borst, laat los, kijkt naar het geluid, naar de vader, naar de zus, ze laat zich zachtjes door mij kriebelen, lacht ook. Die kleinste, nog zo vers en al zo helemaal bij ons, heeft mij al die maanden van binnenuit gevoeld, daarbuiten was jij voor haar de eerste. In enkele seconden: jouw vingertoppen, je handen, je armen, je hartslag en dan je bewegen, je geven aan mij. In alles die dag en de tijden errond zit jouw hier een glas en een doek en een boek en een arm en een kus in de nacht en natuurlijk en zeker en ga uit van en geloof in het goede. Het goede. 

Beneden is het dus nog een bende. In de keuken staan de potten, liggen de resten en de lege pakken. Het is al bijna donker. Ik zie het niet meer zitten. Jij gaat naar de keuken, sluit de deur. Arvo Pärt – My heart’s in the Highlands, de hartslag van de kamers daalt, ik verzin het niet, maar de lamp boven de tafel gaat ineens stemmig zwakker schijnen. De avond valt. Buxtehude – Der Herr ist mit mir, je zingt het mee, ik hoor glazen en borden en trillen. Wat vind je zo mooi aan die liederen, vraag ik later op de avond. Luister maar eens, zeg je. Ik ga weer zitten aan tafel, want mijn tekst is nog niet af. In de keuken stapel je de bakjes van de mag-ik-nog-iets-lekkers? En als we zo’n bakje vullen, komt al en-wat-mag-ik-straksGeniet maar van wat je hebt, zeg jij dan, want voor je het weet is dat ook weer voorbij. En we hebben het van horen zeggen, maar als ze bij andere kindjes komt en ze zitten zo samen, zo met een bakje in het gras, dan zegt zij: Geniet nu maar van wat je hebt. Dat heeft ze dus van jou.

Ik zit hier nog en jij bent al boven. Gelukkig slaapt die kleinste anders raakt deze tekst niet af. Het is hier nog steeds een bende, behalve in de keuken. Ik wil trouwens niet dat je al slaapt voor ik er ben. Ik hoor je nog scharrelen. Je kijkt bij de oudste, strijkt haren en lakens glad, legt een knuffel dichtbij. Je poetst je tanden, legt een luiertje klaar voor het geval, je zit nu rechtop in bed, denkt met een boek in de hand aan de dag, kijkt richting gesloten gordijnen, hoopt dat ik niet te lang wegblijf, anders wordt het te laat en je weet, je zult hard zijn morgenochtend en onverbiddelijk. Je zult voor één keer niet als eerste opstaan om ontbijt te maken, maar vrolijk en koppig in bed blijven liggen, wachten tot ik met vermoeide kop, baby met kakluier op de arm, kleuter met ochtendhumeur achter me aan de trap op struikel met op een dansend dienblad versgeperst sap, geroosterd brood, oude kaas, zachtgekookt eitje met zout – warm gehouden onder een mutsje en een handvol aardbeien uit de tuin.

Father’s fate – Gastblog van de man

Het lot van de vader: een vuistslagje in je gezicht van je jongste als ze wakker wordt omdat ze wil drinken aan borstje. Bijkomend probleem: vader slaapt op dat moment heel diep en weet even niet wat hem overkomt. Desondanks slaat hij niet terug. 

Het lot laat niet los. Het omvat ook: vijf minuten na de kinnebakslag wakker geschreeuwd worden door de grote zus van de jongste. Ze heeft het veel te warm, wil haar slaapzak uit, drinkt haar glaasje water volledig leeg en wil als klap op de vuurpijl bij jou slapen. Dat houdt in dat zij jouw plek in beslag neemt en jij mag opzouten naar het logeerbed. Geen probleem, kan vader tenminste even rustig slapen nu. Het bed moest alleen nog volledig worden opgemaakt. Zucht.

Het lot van de vader is blijkbaar ook dat dit allemaal ’s nachts om een uur of half twee gebeurt en het de vader blijkbaar dermate activeert dat hij pas weer in slaap valt als de eerste vogels hun mondje roeren. Het is dan 5 uur in de ochtend. Op zich geen probleem, de tijd is nuttig gebruikt, de vader heeft wat stichtelijke lectuur gelezen, filmpje gekeken (aflevering van ‘Killing Eve’ dan ook nog) en zelfs wat gewerkt, iets wat hij eigenlijk in de ochtend wilde doen. Dus dat is alweer klaar. 

Enige nadeel: de moeder heeft van vaders gebrek aan slaap niets meegekregen, net zomin als de dochter die ’s nachts zijn plek innam. Rond 8 uur in de morgen maken hun schelle stemmen pal voor zijn slaapkamerdeur een einde aan zijn slaap. Tja, papa we gingen toch vandaag opruimen en schoonmaken en tomatenplanten verpotten? Komaan, tijd om op te staan! En nog blijft hij kalm. Hij staat zelfs vrolijk op. En weet plotseling heel goed wat hij voor vaderdag wil. Dit, dus.